HB: dreiging synagoge is voldoende grondslag staandehouding: bewaring rechtmatig

AbRS | 28 januari 2025 | ECLI:NL:RVS:2025:275 | Hoger beroep gegrond

HB zp. onbekend / Jurisprudentienieuwsbrief rechtspraak 2025, 138
Vreemdelingenbewaring | Staandehouding | Algemene politietaak | Bevoegdheid bewaringsrechter

Feiten en Procesverloop

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank waarin werd geoordeeld dat uit het proces-verbaal niet voldoende concreet bleek op welke grondslag de vreemdeling was staande gehouden. De rechtbank had de bewaring onrechtmatig verklaard omdat de aanleiding en juridische basis van de staandehouding onvoldoende waren gemotiveerd.

De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het proces-verbaal niet voldoende concreet was. Volgens de minister blijkt uit het proces-verbaal dat de staandehouding heeft plaatsgevonden in het kader van een algemene politietaak en niet op basis van vreemdelingenrechtelijke bevoegdheden.

Overwegingen AbRS

  1. Beoordelingskader van de staandehouding
    • De rechtbank heeft terecht overwogen dat uit het proces-verbaal van bevindingen moet blijken wat de aanleiding was voor de staandehouding, zodat kan worden beoordeeld op grond van welke bevoegdheid deze heeft plaatsgevonden.
    • De Afdeling overweegt echter dat de rechtbank niet heeft onderkend dat in dit geval voldoende concreet uit het proces-verbaal blijkt dat de vreemdeling is staande gehouden in het kader van de uitoefening van een algemene politietaak.
  2. Context en motivering in het proces-verbaal
    • Uit het proces-verbaal blijkt dat de staandehouding heeft plaatsgevonden tijdens een algemene surveillance.
    • De verbalisanten zagen de vreemdeling opvallend heen en weer lopen voor een synagoge. In het proces-verbaal is opgenomen dat “ambtshalve bekend is dat er in de huidige situatie in de wereld hier een dreiging op kan staan.”
    • De minister heeft in hoger beroep toegelicht dat deze context betrekking heeft op verhoogde alertheid in verband met dreiging richting onder andere Joodse instellingen.
  3. Bevoegdheid van de bewaringsrechter
    • De Afdeling overweegt dat, nu de staandehouding niet op vreemdelingenrechtelijke gronden heeft plaatsgevonden, de bewaringsrechter zich niet kan uitlaten over de rechtmatigheid daarvan.
    • De rechtbank heeft dit ten onrechte niet onderkend en had zich niet moeten buigen over de rechtmatigheid van de staandehouding.
  4. Conclusie van de Afdeling
    • De rechtbank heeft ten onrechte geconcludeerd dat het proces-verbaal onvoldoende concrete informatie bevatte over de staandehouding.
    • De minister heeft terecht betoogd dat de staandehouding niet onder de beoordeling van de bewaringsrechter valt.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Hoger beroep gegrond.
  • Gevolgen: De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank. De bewaring blijft rechtmatig.
  • Schadevergoeding: Niet toegekend.
  • Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder