AbRS | 24 december 2024 | ECLI:NL:RVS:2024:5325 | Hoger beroep gegrond
HB zp. Zwolle / NL24.33024
Vreemdelingenbewaring | Onrechtmatig verblijf | Effectieve beëindiging verblijf
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Hongaarse nationaliteit, is op 26 januari 2024 verwijderd naar Hongarije, nadat de minister op 18 april 2023 had vastgesteld dat hij geen rechtmatig verblijf meer had op grond van het Unierecht.
Op 22 augustus 2024 heeft de minister eiser opnieuw in bewaring gesteld, omdat hij geen rechtmatig verblijf had en er een risico op onttrekking bestond. Tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaarde eiser dat hij niet lang uit Nederland was geweest, maar niet wist wanneer hij was teruggekeerd na zijn verwijdering.
Bij uitspraak van 5 september 2024 heeft de rechtbank Den Haag (zp Zwolle) het beroep van eiser gegrond verklaard, de bewaring opgeheven en schadevergoeding toegekend. De rechtbank oordeelde dat, nu niet vaststond wanneer eiser was teruggekeerd, niet zeker was dat hij op het moment van inbewaringstelling onrechtmatig in Nederland verbleef.
De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.
Overwegingen AbRS
- Onrechtmatig verblijf en beëindiging van het eerdere verblijf
- De rechtbank heeft ten onrechte aangenomen dat de vreemdeling mogelijk rechtmatig in Nederland verbleef, omdat de datum van terugkeer onduidelijk was.
- De Afdeling verwijst naar het arrest F.S. van het Hof van Justitie van de EU (22 juni 2021, ECLI:EU:C:2021:506), waarin is bepaald dat een vreemdeling pas effectief en daadwerkelijk zijn verblijf beëindigt als hij zich houdt aan het verwijderingsbesluit en zich vestigt in het uitzettingsland.
- De Afdeling overweegt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij aan het verwijderingsbesluit heeft voldaan of dat sprake was van een materiële wijziging van omstandigheden als bedoeld in punt 95 van het arrest F.S..
- Duur van verblijf buiten Nederland niet beslissend
- De rechtbank heeft ten onrechte overwogen dat de periode buiten Nederland beslissend zou zijn.
- De Afdeling wijst op eerdere jurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2022:562, ECLI:NL:RVS:2022:1452) waarin is geoordeeld dat het enkele feit dat een vreemdeling Nederland tijdelijk heeft verlaten niet betekent dat zijn verblijf rechtmatig wordt.
- Conclusie van de Afdeling
- De Afdeling concludeert dat de minister terecht heeft aangenomen dat eiser op 22 augustus 2024 onrechtmatig in Nederland verbleef.
- Het verwijderingsbesluit van 18 april 2023 was nog steeds van kracht.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Hoger beroep gegrond.
- Gevolgen: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De bewaring blijft in stand.
- Schadevergoeding: Niet toegekend.
- Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.