Gegrond omdat voortijdige omzetting onjuiste grondslag is – ECLI:NL:RBDHA:2025:1388
Rb. Den Haag (zp Groningen) | 04-02-2025 | NL25.3269 | Bewaring | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 22 januari 2025 heeft de minister aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld, tevens aan te merken als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 januari 2025 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum].
Overwegingen Rechtbank
- Onjuiste grondslag van de bewaring
- Eiser betoogt dat hij op het moment van inbewaringstelling nog rechtmatig verblijf had tijdens de rechtsmiddelentermijn van zijn opvolgende asielaanvraag.
- De rechtbank verwijst naar het arrest Gnandi (HvJEU, 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:544) en Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:4358), waarin is bepaald dat een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft gedurende de rechtsmiddelentermijn.
- De rechtbank stelt vast dat eiser op 16 december 2024 een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend, die op 19 januari 2025 is afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtsmiddelentermijn liep tot 26 januari 2025.
- Omdat de bewaring op 22 januari 2025 is opgelegd, had eiser op dat moment nog rechtmatig verblijf, waardoor de maatregel op een onjuiste grondslag is gebaseerd.
- Geen anticipatie op verklaring eiser
- De minister stelt dat eiser tijdens de rechtsmiddelentermijn heeft verklaard geen beroep in te stellen en daarom alvast de maatregel heeft omgezet.
- De rechtbank acht deze onderbouwing onvoldoende, omdat hierover geen dossierstukken zijn overgelegd.
- Onrechtmatigheid en schadevergoeding
- De rechtbank concludeert dat de bewaring vanaf het begin onrechtmatig is.
- De rechtbank kent schadevergoeding toe voor 14 dagen onrechtmatige bewaring.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is gegrond.
- Gevolgen: De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring per 4 februari 2025.
- Proceskosten: De minister wordt veroordeeld in de proceskosten.
- Schadevergoeding: De rechtbank kent schadevergoeding toe voor 14 dagen onrechtmatige bewaring.
Noten
- ECLI:EU:C:2018:544 (HvJEU Gnandi, 19 juni 2018)
- ECLI:NL:RVS:2019:4358 (ABRvS 19 december 2019)