HB: recht aanwezigheid zitting niet absoluut

Dublin – Recht om te worden gehoord – ECLI:NL:RVS:2025:3939

RvS | 25-07-2025 | 202407870/1/V3 | Hoger beroep minister: gegrond Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg | 17-12-2024 | NL24.47370 | Beroep: gegrond

Feiten en Procesverloop

De Minister van Asiel en Migratie heeft betrokkene van Syrische nationaliteit op 28 november 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a Vw 2000 met zware gronden 3a, 3b en 3k. De overdracht naar Bulgarije was gepland voor 11 december 2024 om 10.20 uur conform artikel 18 van de Dublinverordening.

De rechtbank stelde partijen op 6 december 2024 op de hoogte van een telehoorzitting op 11 december 2024 om 10.05 uur. Op 10 december 2024 liet betrokkene telefonisch aan de rechtbank weten gebruik te willen maken van zijn recht om te worden gehoord. De rechtbank berichtte de minister om 17.14 uur telefonisch en om 17.32 uur schriftelijk dat zij verwachtte dat betrokkene bij de telehoorzitting aanwezig zou zijn.

Bij uitspraak van 17 december 2024 verklaarde Rechtbank Den Haag het beroep gegrond, beval opheffing van de bewaring met ingang van die dag en kende schadevergoeding toe. De rechtbank oordeelde dat de minister het recht van betrokkene om op een zitting te worden gehoord had geschonden, omdat de telehoorzitting en vlucht op dezelfde dag waren gepland.

Overwegingen Raad van State

De Afdeling overweegt dat van betrokkene mocht worden verwacht dat hij tegenover de rechtbank een beroep deed op zijn recht om te worden gehoord op het moment, of kort daarna, dat hij erachter kwam dat de telehoorzitting en de vlucht op dezelfde dag waren gepland. Betrokkene hoorde op 6 december 2024 dat zijn telehoorzitting en vlucht op dezelfde dag waren gepland, maar deed pas op 10 december 2024 een beroep op zijn recht om te worden gehoord.

De Afdeling verwijst naar haar uitspraak van 15 januari 2025, onder 3.5, en oordeelt dat als betrokkene eerder een beroep had gedaan, de rechtbank had kunnen onderzoeken of de telehoorzitting op een andere dag dan 11 december 2024 kon worden gepland. Het feit dat betrokkene op 29 november 2024 te kennen heeft gegeven dat hij niet akkoord ging met een schriftelijke afdoening van de zitting, maakt dit niet anders, omdat dit was voordat betrokkene wist dat zijn overdracht op 11 december 2024 zou plaatsvinden.

De Afdeling oordeelt dat de beperking van het recht om te worden gehoord in dit geval evenredig is, omdat betrokkene pas vier dagen voor de vlucht zijn recht geldend maakte en de minister geen zeggenschap heeft over commerciële vluchtschema’s.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Het hoger beroep is gegrond. De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank.
  • Gevolgen: Het beroep is alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
  • Proceskosten: Geen proceskostenveroordeling.

Noten

  • ECLI:NL:RVS:2025:3939
  • ECLI:NL:RVS:2023:3794 (bewaringsrechter niet bevoegd om oordeel te geven over rechtmatigheid asielaanvraag)
  • Artikel 59a Vreemdelingenwet 2000
  • Artikel 18 Dublinverordening (EU) nr. 604/2013

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder