| Instantie | Raad van State, Afdeling bestuursrechtspraak |
|---|---|
| Datum | 17-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RVS:2026:1445 |
| Zaaknummer | BRS.25.001632 |
| Type | Vreemdelingenrecht, artikel 6 lid 3 en artikel 106 lid 1 Vw 2000, artikel 12 lid 2 Dublinverordening |
| Dictum | Hoger beroep gegrond, beroep alsnog gegrond |
Feiten en procesverloop
Sinds een circular letter van 5 december 2022 laten de Italiaanse autoriteiten weten dat overdrachten aan Italië vanwege het gebrek aan opvangfaciliteiten niet mogelijk zijn; die situatie is onveranderd. Appellant kwam op 19 september 2025 uit Lagos aan op Schiphol en uitte een asielwens. Uit EU-VIS bleek een door het Italiaanse consulaat afgegeven toeristenvisum, bevestigd bij controle van het echt bevonden paspoort; in Eurodac kwam hij niet voor. De minister plaatste hem diezelfde dag in grensdetentie (artikel 6, derde lid, Vw 2000) en diende een overnameverzoek bij Italië in. Italië accepteerde dat op 26 september 2025 en meldde dat overdracht niet mogelijk is bij gebrek aan opvang; de grensdetentie is die dag opgeheven. Bij uitspraak van 14 oktober 2025 (NL25.45857) verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep ongegrond en wees zij schadevergoeding af.
Werkwijze minister: volgens Informatiebericht 2023/86 kan hij ook vanuit de grensprocedure claimverzoeken aan Italië blijven verzenden en kan die procedure worden doorlopen totdat Italië accepteert. Na acceptatie volgt vooralsnog geen besluitvorming; de vreemdeling komt in de nationale asielprocedure zodra de overdrachtstermijn is verstreken. De grensdetentie wordt opgeheven zodra Italië het claimverzoek accepteert.
Oordeel rechtbank: die werkwijze is niet onjuist. De minister heeft terecht een overnameverzoek ingediend en de reactie afgewacht, omdat niet is uit te sluiten dat een andere lidstaat verantwoordelijk is (visumsticker of paspoort kan vervalst zijn) en hij de aanvraag na afwijzing alsnog in de grensprocedure kan behandelen.
Standpunt appellant: vervalsing was uitgesloten omdat de echtheid uit het onderzoek bleek, en omdat hij niet in Eurodac voorkwam was bij de plaatsing al duidelijk dat Italië zou accepteren en dat hem toegang zou moeten worden verleend.
Overwegingen Afdeling
- Op grond van artikel 12, tweede lid, Dublinverordening is de lidstaat die een geldig visum heeft afgegeven verantwoordelijk, tenzij het namens een andere lidstaat is afgegeven. Uit EU-VIS bleek een geldig Italiaans visum en appellant kwam niet voor in Eurodac; de systemen boden geen aanknopingspunt dat een andere lidstaat verantwoordelijk kon zijn.
- Zou Italië toch over informatie beschikken waaruit een andere verantwoordelijke lidstaat volgt, dan zou relevante informatie abusievelijk niet in de systemen zijn opgenomen. Die kans is zo klein dat de minister er in beginsel van uit moet gaan dat Italië het claimverzoek accepteert.
- Kernoverweging: omdat de minister toegang verleent zodra Italië accepteert, dient de grensdetentie met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het doel van grensbewaking niet, en maakt hij van zijn bevoegdheid geen gebruik te goeder trouw (EHRM 29 januari 2008, Saadi, paragraaf 74; HvJEU 4 oktober 2024, Bouskoura, punt 54). NB anders gezegd: Italië weigert overdracht, dat is bekend, de vreemdeling blijft vastzitten puur om de administratieve procedure van het bij Italië indienen van het claimverzoek te voltooien. Dus niet voor grensbewaking.
- Grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, Vw 2000 in afwachting van een Dublinclaim bij Italië mag daarom niet, tenzij de systemen aanknopingspunten bieden voor een andere verantwoordelijke lidstaat. De grensdetentie was hier vanaf het begin onrechtmatig.
- Omdat de grensdetentie vanaf het begin onrechtmatig is geweest, bestaat voor ambtshalve toetsing door de Afdeling geen aanleiding.
Conclusie en gevolgen
- Het hoger beroep is gegrond; de uitspraak van de rechtbank van 14 oktober 2025 is vernietigd.
- Het beroep is alsnog gegrond. Omdat de grensdetentie al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig.
- Schadevergoeding van EUR 800,00 over de periode van 19 september 2025 tot en met 26 september 2025 op grond van artikel 106, eerste lid, Vw 2000, ten laste van de Staat, te betalen door de griffier van de Raad van State.
- De minister moet de proceskosten van het beroep en het hoger beroep vergoeden tot een bedrag van EUR 1.868,00.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2023:1654 (ABRvS, 26 april 2023): overdrachten aan Italië zijn niet mogelijk; hierop volgde Informatiebericht 2023/86.
- EHRM 29 januari 2008, Saadi, ECLI:CE:ECHR:2008:0129JUD001322903, paragraaf 74: de bevoegdheid tot vrijheidsontneming moet te goeder trouw worden gebruikt.
- ECLI:EU:C:2024:868 (HvJEU 4 oktober 2024, Bouskoura, C-387/24 PPU), punt 54: idem bij vreemdelingenbewaring.
