Ophouding 2 uur te lang: alleen vergoeding proceskosten

Rb. Den Haag | RECHTBANK DEN HAAG / Zittingsplaats Middelburg | 21-04-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:9635 | NL26.20096 en NL26.21075 | Vreemdelingenrecht (bestuursrecht) | Beroepen ongegrond

Feiten en Procesverloop

Eiser stelt in 1989 geboren te zijn en de Marokkaanse nationaliteit te hebben (r.o. 1). Bij besluit van 9 april 2026 vaardigde de minister een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar uit (bestreden besluit 1) en legde dezelfde dag bewaring op (art. 59 lid 1 aanhef en onder a Vw; bestreden besluit 2). Eiser werd op 9 april 2026 om 11:25 uur opgehouden (art. 50 lid 2 Vw) en om 19:25 uur in bewaring gesteld. Voorgeschiedenis: bevel van 26 februari 2026 om zich naar de lidstaat van verblijf (Spanje) te begeven. Zitting 15 april 2026 (beeldverbinding, tolk). Eiser betwist de zware gronden, lichte grond 4f, de ophoudingsgrondslag en -duur, de volledigheid van het proces-verbaal van gehoor en het inreisverbod (verloofde en werk in Spanje, zieke moeder in Marokko).

Overwegingen Rechtbank

  • Zware gronden (art. 5.1b lid 3 Vb): 3a (niet op voorgeschreven wijze binnengekomen) en 3c (bevel niet opgevolgd) zijn feitelijk juist: geen geldig grensoverschrijdingsdocument, het Spaanse visum is verlopen en het bevel is niet opgevolgd (door eiser bevestigd in het vertrekgesprek van 15 april 2026) (r.o. 4). Lichte gronden (lid 4): 4a, 4c, 4d en 4f vermeld; 4f onbesproken gelaten (r.o. 2, 4). Voor de bewaring volstaat verwijzing naar r.o. 2-4 (r.o. 14).
  • Inreisverbod: art. 66a lid 1 aanhef en onder a Vw verplicht tot uitvaardiging; geen aanleiding art. 66a lid 8 Vw toe te passen; de verloofde is pas ter zitting gesteld; geen recht op arbeid in Spanje; ambtshalve opheffing bij rechtmatig verblijf in Spanje (r.o. 6).
  • Ophouding: identiteit kon niet onmiddellijk worden vastgesteld, grondslag juist (r.o. 9). De termijn van art. 50 lid 2 Vw (zes uur) is met 2 uur overschreden: gebrek (r.o. 11).
  • ABRvS 28 december 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AU9188: een onrechtmatige ophouding maakt de bewaring slechts onrechtmatig als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de geschonden belangen. De belangenafweging valt nadelig uit voor eiser (onttrekkingsrisico; zorgvuldige voorbereiding; gehoor voor het verstrijken van de termijn begonnen); het gebrek is gepasseerd met art. 6:22 Awb.
  • Het proces-verbaal van gehoor is niet onvolledig of tegenstrijdig (r.o. 13). Ambtshalve toets: geen onrechtmatigheid (r.o. 15).

Conclusie en Gevolgen

Beroepen ongegrond; bewaring blijft van kracht; schadevergoeding afgewezen. Proceskosten wegens toepassing van art. 6:22 Awb: EUR 1.868 (2 punten x EUR 934, factor 1). Rechtsmiddel: hoger beroep bij de ABRvS binnen één week (bewaring) resp. vier weken (terugkeerbesluit/inreisverbod) na bekendmaking.

Noten

ECLI:NL:RVS:2005:AU9188; Vw 2000; Vb 2000; Awb

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder