AbRS | 15 januari 2025 | ECLI:NL:RVS:2025:86 | Hoger beroep ongegrond
HB zp. Middelburg / NL24.26059
Bewaring | Recht om te worden gehoord | Evenredigheidstoetsing | Compenserende maatregelen
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat het hoger beroep van de vreemdeling ongegrond is. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, had het beroep tegen de bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
De vreemdeling stelde dat zijn recht om te worden gehoord was geschonden, omdat hij door de minister op de ochtend van de zitting van Detentiecentrum Rotterdam naar Schiphol was overgebracht en daardoor niet bij de telehoorzitting kon zijn. De Afdeling overweegt dat het recht om te worden gehoord niet absoluut is en dat een beperking evenredig moet zijn en de kern van het recht niet mag aantasten. Omdat de verwijdering per vliegtuig een strikte planning vereist en een vertraging directe gevolgen heeft voor de uitvoering, mocht de minister ervan uitgaan dat het niet haalbaar was de vreemdeling nog te laten deelnemen aan de telehoorzitting.
Verder overweegt de Afdeling dat de vreemdeling pas op de avond vóór de zitting uitspraken heeft geüpload waarin hij zich beriep op zijn recht om te worden gehoord. Dit had eerder gemoeten, zodat de rechtbank een alternatieve planning had kunnen overwegen. Omdat de vreemdeling werd vertegenwoordigd door een gemachtigde, was zijn recht op verdediging voldoende gewaarborgd. Daarnaast mocht de minister afzien van videobellen als alternatief, omdat de wettelijke regeling alleen voorziet in horen in persoon of telehoren.
De Afdeling concludeert dat de beperking van het recht om te worden gehoord evenredig was en dat de rechtbank terecht geen schending heeft aangenomen.
Uitspraak: Hoger beroep ongegrond. Uitspraak rechtbank bevestigd. Geen schadevergoeding.