HB Grondslag, weigering terugkeer, onttrekking: bewaring rechtmatig

AbRS | 16 januari 2025 | ECLI:NL:RVS:2025:74 | Hoger beroep gegrond
HB zp. Rotterdam / NL24.27923
Bewaring | Artikel 59, eerste lid, Vw 2000 | Risico op onttrekking aan toezicht | Bevoegdheid ondertekening

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft geoordeeld dat de minister de vreemdeling terecht op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring heeft gesteld. De rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, had geoordeeld dat bewaring op grond van artikel 59, tweede lid, Vw 2000 had moeten plaatsvinden, omdat de Franse autoriteiten op 1 juli 2024 hadden aangegeven de vreemdeling over te willen nemen. De Afdeling vernietigt deze uitspraak.

“Uit artikel 62a, derde lid, van de Vw 2000, volgt dat de minister aan de vreemdeling, na het niet naleven van een bevel tot onmiddellijk vertrek naar het grondgebied van de lidstaat waar hij een verblijfsrecht heeft, een terugkeerbesluit kan uitreiken. In dit geval heeft de vreemdeling herhaaldelijk geen gehoor gegeven aan het bevel zich naar Frankrijk te begeven, waarna de minister een terugkeerbesluit heeft uitgereikt met een terugkeerverplichting naar Algerije.

Anders dan in de uitspraak van de Afdeling van 27 februari 2013, ECLI:NL:RVS:2013:BZ2799, bestond in dit geval geen aanleiding om het terugkeerbesluit in te trekken na de schriftelijke bevestiging van de Franse autoriteiten dat de overdracht van de vreemdeling door Frankrijk wordt geaccepteerd. De minister heeft namelijk het terugkeerbesluit aan de vreemdeling uitgereikt omdat hij de eerdere bevelen zich naar Frankrijk te begeven niet is nagekomen.

Gelet op het voorgaande mocht de minister de vreemdeling dus met het oog op uitzetting naar Algerije in bewaring stellen. Anders dan de rechtbank heeft overwogen, bestond in dit geval geen aanleiding om de bewaringsmaatregel te baseren op artikel 59, tweede lid, van de Vw 2000. Die bepaling is bedoeld voor de situatie waarin een vreemdeling op korte termijn kan worden uitgezet. Niet is gebleken dat alle voor uitzetting naar Algerije benodigde bescheiden voorhanden waren of op korte termijn voorhanden zouden zijn. De rechtbank heeft dit niet onderkend.”

De vreemdeling betoogde dat geen sprake was van een risico op onttrekking aan het toezicht, maar de Afdeling oordeelt dat de minister voldoende gronden heeft aangevoerd om dit risico aan te nemen. Verder was de bewaring ondertekend namens de staatssecretaris, terwijl de minister bevoegd was. Dit vormt een gebrek, maar leidt niet tot onrechtmatigheid, omdat de ondertekenaar op grond van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 bevoegd was en de vreemdeling hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.

De Afdeling ziet ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.

Uitspraak: Hoger beroep gegrond. Uitspraak rechtbank vernietigd. Beroep ongegrond. Geen schadevergoeding.

Geef een reactie

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder