Bewaring moeder met baby, termijnoverschrijding, beroep gegrond

Bewaring – Onrechtmatigheid na ordemaatregel – ECLI:NL:RBDHA:2025:898

Rb. Den Haag (zp Utrecht) | 27 januari 2025 | NL25.2209 | Bewaring – Minderjarige dochter – Termijnoverschrijding – Lichter middel | Beroep gegrond

Feiten en Procesverloop

Eiseres, afkomstig uit Kroatië, is op 15 januari 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Zij is samen met haar minderjarige dochter van 2,5 maanden oud in bewaring gesteld.

Op 21 januari 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiseres niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is op grond van de Dublinverordening.

Eiseres heeft tegen dit besluit beroep ingesteld en een voorlopige voorziening gevraagd om haar overdracht op 27 januari 2025 te voorkomen.

De rechtbank heeft op 24 januari 2025 een ordemaatregel getroffen die bepaalt dat eiseres niet mag worden overgedragen totdat op de voorlopige voorziening is beslist.

De rechtbank behandelt de vraag of de bewaring nog rechtmatig voortduurt.

Overwegingen Rechtbank

  1. Onrechtmatigheid van bewaring na 24 januari 2025
    • Volgens paragraaf A2/4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 mag een inbewaringstelling met een minderjarig kind niet langer dan twee weken duren.
    • De bewaring zou in dit geval op 29 januari 2025 aflopen, terwijl de voorlopige voorziening pas op 4 februari 2025 wordt behandeld.
    • De minister stelt dat de overschrijding minimaal is, omdat eiseres en haar dochter op 5 februari 2025 op een vlucht worden geplaatst.
    • De rechtbank overweegt echter dat de minister ten onrechte ervan uitgaat dat de rechtbank daags na de zitting op 4 februari uitspraak zal doen. De rechtbank heeft hiervoor wettelijk twee weken de tijd.
    • Omdat de termijn van twee weken niet gegarandeerd wordt nageleefd, is de bewaring vanaf 24 januari 2025 onrechtmatig en moet deze per direct worden opgeheven.
  2. Beoordeling van de gronden voor bewaring (15 – 23 januari 2025)
    • De minister heeft als gronden voor de bewaring opgevoerd:
      • 3a: Eiseres is niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen.
      • 3b: Eiseres heeft zich onttrokken aan toezicht.
      • 3k: Eiseres heeft een overdrachtsbesluit ontvangen, maar weigert medewerking aan haar overdracht.
    • De rechtbank overweegt dat de gronden 3a en 3b feitelijk juist zijn en voldoende zijn gemotiveerd.
    • Het feit dat eiseres zich direct bij binnenkomst heeft gemeld, doet niet af aan het ontbreken van de juiste reisdocumenten.
    • De minister heeft voldoende onderbouwd dat eiseres zich eerder aan toezicht heeft onttrokken en haar overdracht naar Kroatië heeft gefrustreerd.
  3. Lichter middel
    • Eiseres stelt dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel, gezien haar bevalling en de zorg voor haar dochter.
    • De rechtbank overweegt dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat het risico op onttrekking nog steeds aanwezig is.
    • Eiseres heeft tijdens het gehoor aangegeven niet te willen meewerken aan haar overdracht naar Kroatië, wat een verhoogd risico op onttrekking impliceert.
    • De enkele omstandigheid dat eiseres recent is bevallen, betekent niet automatisch dat een lichter middel volstaat.
  4. Ambtshalve toetsing van de maatregel
    • De rechtbank toetst of de maatregel op enig moment voor 24 januari 2025 onrechtmatig is geweest.
    • Op basis van de zittingsstukken en overwegingen concludeert de rechtbank dat de bewaring in die periode rechtmatig was.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep gegrond.
  • Gevolgen: De maatregel van bewaring is vanaf 24 januari 2025 onrechtmatig en wordt per direct opgeheven.
  • Schadevergoeding: €400,- voor vier dagen onrechtmatige bewaring (€100 per dag in detentiecentrum).
  • Proceskosten: €1.814 proceskostenvergoeding, te betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder