(Niet) te laat uitgeplaatst, bewijsstukken verweerder pas na zitting ingediend: beroep ongegrond

Bewaring – Voortvarend handelen en tijdige uitplaatsing – ECLI:NL:RBDHA:2025:903

Rb. Den Haag (zp Arnhem) | 20 januari 2025 | NL25.804 en NL25.860 | Bewaring – Tijdige uitplaatsing – Voortvarend handelen – Beroep ongegrond

Feiten en Procesverloop

Eiser is op 30 december 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Daarnaast heeft de minister op dezelfde datum een aanvullend terugkeerbesluit opgelegd.

Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld. Het beroep tegen de maatregel van bewaring wordt tevens aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 14 januari 2025 op zitting behandeld.

Eiser stelt dat:

  1. Het aanvullend terugkeerbesluit gebrekkig is, omdat het eerdere terugkeerbesluit uit 2021 niet uitvoerbaar is.
  2. Hij te laat is uitgeplaatst naar het Detentiecentrum Rotterdam en dat dit niet uit de stukken blijkt.
  3. De minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting, nu onduidelijk is of er een aanvraag voor een laissez-passer (LP) is ingediend.

Overwegingen Rechtbank

  1. Rechtmatigheid van het aanvullend terugkeerbesluit
    • Eiser betoogt dat het eerste terugkeerbesluit van 20 oktober 2021 niet uitvoerbaar is, omdat er geen uitzettingen naar Syrië plaatsvinden.
    • De rechtbank overweegt dat de minister in het aanvullend terugkeerbesluit van 30 december 2024 terecht heeft aangegeven dat het land van terugkeer nog nader zal worden vastgesteld.
    • De minister beschikt over concrete aanwijzingen dat eiser mogelijk afkomstig is uit Algerije en dat zijn toelating tot Marokko gewaarborgd kan worden.
    • Dat het eerdere terugkeerbesluit niet uitvoerbaar was, betekent niet dat het aanvullend terugkeerbesluit onrechtmatig is.
  2. Tijdigheid van de uitplaatsing naar detentie
    • Eiser betoogt dat uit het dossier niet blijkt dat hij binnen 24 uur na de oplegging van de bewaring is uitgeplaatst naar het Detentiecentrum Rotterdam.
    • De minister heeft op zitting toegelicht dat eiser op 31 december 2024 om 13:50 uur is uitgeplaatst naar Rotterdam. Dit is na verificatie bevestigd door een mail van een Medewerker Bevolkingsadministratie DTC Rotterdam.
    • De rechtbank acht het niet in strijd met de goede procesorde dat de minister dit stuk na de zitting heeft overgelegd, omdat dit slechts bevestigt wat de minister al had verklaard.
    • Eiser is hierdoor niet in zijn belangen geschaad.
  3. Voortvarend handelen bij de uitzetting
    • De rechtbank stelt vast dat de minister op 2 januari 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Dit vond plaats op de derde dag van de inbewaringstelling, wat voldoende voortvarend is.
    • Daarnaast blijkt uit de stukken dat de minister op 6 januari 2025 een LP-aanvraag heeft ingediend bij de Algerijnse autoriteiten en op 8 januari 2025 een LP-aanvraag bij de Marokkaanse autoriteiten.
    • Nu de eerste uitzettingshandeling in ieder geval vóór dag zes heeft plaatsgevonden, is voldaan aan de voortvarendheidseis zoals vastgesteld door de Afdeling bestuursrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2020:989).
  4. Ambtshalve toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel
    • De rechtbank ziet, los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, geen reden om te oordelen dat niet is voldaan aan de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep ongegrond.
  • Gevolgen: De maatregel van bewaring blijft gehandhaafd.
  • Schadevergoeding: Afgewezen.
  • Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder