Geen zicht uitzetting Libië. Beroep gegrond

Bewaring – Geen zicht op uitzetting naar Libië – ECLI:NL:RBDHA:2025:398

Rb. Den Haag (zp Utrecht) | 13 januari 2025 | NL25.172 | Bewaring – Zicht op uitzetting – Laissez-passer-aanvragen – Beroep gegrond

Feiten en Procesverloop

Eiser, van Libische nationaliteit, geboren in 2004, is op 31 december 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).

Eiser heeft beroep ingesteld tegen deze maatregel en verzocht om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 13 januari 2025 op zitting behandeld.

De minister stelt dat de maatregel noodzakelijk is vanwege het risico op onttrekking aan toezicht en het ontwijken van de uitzettingsprocedure. Daarbij heeft de minister als gronden onder meer genoemd dat eiser:

  • Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen;
  • zich eerder heeft onttrokken aan toezicht;
  • een vertrekplicht opgelegd heeft gekregen en daar niet aan heeft voldaan;
  • niet meewerkt aan de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit.

Overwegingen Rechtbank

Zicht op uitzetting naar Libië

Eiser stelt dat de minister hem niet in bewaring heeft mogen stellen, omdat er geen zicht op uitzetting naar Libië bestaat.

Hij verwijst naar een eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 27 september 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16334), waarin werd geoordeeld dat gedwongen terugkeer naar Libië feitelijk niet mogelijk is.

Daarnaast verwijst eiser naar twee uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BA0050) en 24 augustus 2007 (ECLI:NL:RVS:2007:BB2788).

Standpunt minister over zicht op uitzetting

De minister stelt dat sinds medio 2024 gedwongen terugkeer naar Libië weer mogelijk is, en dat de Koninklijke Marechaussee deze terugkeer kan begeleiden.

De minister heeft cijfers overgelegd met betrekking tot laissez-passer-aanvragen en uitzettingen, waaruit zou blijken dat gedwongen terugkeer inmiddels wordt uitgevoerd.

Cijfers over laissez-passer-aanvragen en uitzettingen

JaarLP-aanvragen gedocumenteerdLP-aanvragen ongedocumenteerdLP verstrekkingen OGDLP-verstrekkingen GDUitzettingen GDUItzetiingen OGD
2022680000
20232121200
2024898101

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt dat de cijfers geen wezenlijke verbetering laten zien ten opzichte van de situatie tot en met augustus 2024, waarop de uitspraak van 27 september 2024 was gebaseerd.

De minister heeft ter zitting erkend dat tussen september en december 2024 geen nieuwe laissez-passers zijn verstrekt en geen gedwongen uitzettingen hebben plaatsgevonden.

Nu er slechts één gedwongen uitzetting in bijna drie jaar heeft plaatsgevonden, acht de rechtbank onvoldoende concrete aanknopingspunten aanwezig dat binnen een redelijke termijn uitzetting naar Libië mogelijk is.

De enkele stelling van de minister dat de praktische belemmeringen voor gedwongen terugkeer zijn vervallen, wordt onvoldoende ondersteund door de overgelegde cijfers.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep gegrond.
  • Gevolgen: De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring per 13 januari 2025.
  • Schadevergoeding: €1.400 (14 dagen onrechtmatige bewaring à €100 per dag).
  • Proceskosten: €1.814 proceskostenvergoeding, te betalen aan de gemachtigde van eiser.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder