Bewaring – Voortvarend handelen en zicht op uitzetting – ECLI:NL:RBDHA:2025:364
Rb. Den Haag (zp Middelburg) | 14 januari 2025 | NL24.52253 | Bewaring – Terugkeerbesluit – Medische omstandigheden – Voortvarend handelen | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Turkse nationaliteit, is op 21 december 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Eiser heeft tegen de maatregel beroep ingesteld, dat tevens wordt aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 8 januari 2025 op zitting behandeld.
Eiser voert aan dat:
- Het terugkeerbesluit onrechtmatig is, omdat het op onjuiste wijze is bekendgemaakt.
- De minister zich onvoldoende inspant om de maatregel zo kort mogelijk te laten duren.
- Er geen toestemming van het Openbaar Ministerie (OM) is gevraagd voor zijn uitzetting.
- Hij niet zorgvuldig is gehoord over zijn medische omstandigheden.
- Er geen zicht is op uitzetting binnen redelijke termijn.
Overwegingen Rechtbank
- Terugkeerbesluit en bekendmaking
- Het terugkeerbesluit van 12 november 2024 is aangetekend verzonden naar de penitentiaire inrichting Vught (PI), waar eiser verbleef.
- Eiser verbleef in het penitentiair psychiatrisch centrum (PPC) vanwege psychische klachten en stelt dat de wijze van bekendmaking daardoor onrechtmatig was.
- De rechtbank volgt dit niet. Uit de stukken blijkt dat eiser de beschikking heeft ontvangen en gedeeltelijk heeft gelezen. Bovendien heeft hij zelf contact opgenomen met het consulaat om zijn terugkeer te bespreken.
- Het inreisverbod is gepubliceerd in de Staatscourant van 18 november 2024. Daarmee is voldaan aan de vereisten voor bekendmaking.
- Voortvarend handelen van de minister
- De minister heeft op 18 november 2024 bepaald dat eiser na zijn strafrechtelijke detentie zou worden overgenomen door de vreemdelingenpolitie.
- Tijdens zijn detentie zijn op 28 november 2024 en 5 december 2024 vertrekgesprekken gevoerd.
- Op 20 december 2024 is eiser gehoord over de voorgenomen bewaring.
- Direct na zijn invrijheidstelling op 21 december 2024 om 09:00 uur is hij in vreemdelingenbewaring gesteld.
- De rechtbank concludeert dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat geen sprake is van een onzorgvuldig voortraject.
- Toestemming van het OM
- Eiser stelt dat de minister toestemming van het OM had moeten vragen voor zijn uitzetting, gezien zijn strafrechtelijke documentatie.
- De rechtbank stelt vast dat uit zijn justitiële documentatie van 23 december 2024 blijkt dat er geen lopende strafzaken tegen hem waren.
- De minister heeft verklaard dat, zodra een concrete uitzettingsdatum bekend is, alsnog toestemming aan het OM gevraagd zal worden. Dit is voldoende.
- Zorgvuldigheid van het gehoor en medische omstandigheden
- Eiser stelt dat hij niet zorgvuldig is gehoord over zijn medische situatie en dat de minister zijn informatieplicht niet is nagekomen.
- Uit het proces-verbaal van gehoor (M110) blijkt echter dat eiser heeft verklaard geen medische of psychische klachten te hebben.
- De enkele omstandigheid dat eiser in een PPC heeft verbleven tijdens zijn strafrechtelijke detentie is onvoldoende om aan te nemen dat hij niet zorgvuldig is gehoord.
- Zicht op uitzetting en risico op onttrekking
- De minister heeft tijdens de detentie en na de oplegging van de maatregel contact opgenomen met de Turkse autoriteiten.
- Eiser stelt dat Turkije hem geen laissez-passer (LP) zal verstrekken, maar hij heeft dit niet onderbouwd.
- De rechtbank stelt vast dat in algemene zin geldt dat Turkije meewerkt aan LP-aanvragen, en er zijn geen aanwijzingen dat dat in het geval van eiser anders is.
- Eiser heeft verder geen aantoonbare inspanningen verricht om zijn vertrek mogelijk te maken. Zijn enkele verklaring dat hij wil meewerken is onvoldoende.
- Op basis van de stukken concludeert de rechtbank dat eiser niet bereid is tot terugkeer en dat sprake is van een risico op onttrekking aan toezicht.
- Lichter middel en detentieomstandigheden
- Eiser stelt dat een lichter middel dan bewaring had moeten worden toegepast.
- De rechtbank verwijst naar eerdere rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak (ECLI:NL:RVS:2022:2100), waarin is geoordeeld dat Detentiecentrum Rotterdam voldoet aan de vereisten van artikel 16, eerste lid, van de Terugkeerrichtlijn.
- Medische voorzieningen zijn in detentie aanwezig, en indien nodig kan eiser worden overgeplaatst naar een ziekenhuis, PPC of gesloten gezondheidsinstelling.
- Nu sprake is van een risico op onttrekking, heeft de minister kunnen afzien van een lichter middel.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep ongegrond.
- Gevolgen: De maatregel van bewaring blijft gehandhaafd.
- Schadevergoeding: Afgewezen.
- Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.