Gezin wil samen asiel in NL, toch Dublinoverdracht: ongegrond beroep

Dublin-overdracht mogelijk ondanks gezinsbelangen – ECLI:NL:RVS:2025:578

Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State | 17-02-2025 | 202407794/1/V3 | Hoger beroep ongegrond

Feiten en Procesverloop

De zaak betreft een gezin met een moeder en haar minderjarige zoon, beiden van Russische nationaliteit. Op 27 november 2024 heeft de minister van Asiel en Migratie hen in bewaring gesteld op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De bewaring werd opgelegd in het kader van een voorgenomen overdracht aan Oostenrijk onder de Dublinverordening.

Het gezin had zich eerder gemeld bij de Nederlandse autoriteiten, maar was vervolgens met onbekende bestemming vertrokken. De minister concludeerde daarom dat er een significant risico op onderduiken bestond. Daarnaast had de moeder eerder te kennen gegeven niet naar Oostenrijk te willen terugkeren, omdat zij en haar zoon in Nederland wilden blijven.

Een belangrijke omstandigheid in deze zaak is dat de echtgenoot van de moeder en vader van de minderjarige zoon zich inmiddels ook in Nederland bevond en daar een asielaanvraag had ingediend. Het gezin wilde samen in Nederland een asielprocedure starten.

Op 5 december 2024, kort voor de zitting bij de rechtbank, heeft de minister de bewaring opgeheven. De rechtbank heeft zich daarom beperkt tot de vraag of de bewaring voorafgaand aan de opheffing rechtmatig was en of het gezin aanspraak had op schadevergoeding.

Op 13 december 2024 heeft de rechtbank de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen (ECLI:NL:RBDHA:2024:21282).

Het gezin is vervolgens in hoger beroep gegaan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Overwegingen van de rechtbank

  1. Rechtmatigheid van de bewaring
    1. De rechtbank overwoog dat de minister voldoende had gemotiveerd dat er een concreet aanknopingspunt was voor overdracht onder de Dublinverordening.
    1. De minister had daarnaast aannemelijk gemaakt dat er een significant risico op onderduiken bestond, gelet op het eerdere vertrek met onbekende bestemming.
    1. De rechtbank achtte de volgende zware gronden (artikel 5.1b, tweede en derde lid, Vreemdelingenbesluit 2000) voldoende om de bewaring te dragen:
      1. 3a: illegale binnenkomst in Nederland.
      1. 3b: onttrekking aan toezicht op vreemdelingen.
      1. 3f: het zich zonder noodzaak ontdoen van reis- of identiteitsdocumenten.
      1. 3k: het niet meewerken aan overdracht naar de verantwoordelijke lidstaat.
    1. Van deze gronden betwistte het gezin alleen 3k (niet meewerken aan overdracht). De rechtbank oordeelde echter dat de andere onbetwiste gronden de bewaring reeds konden dragen en dat het bezwaar tegen 3k daarom niet doorslaggevend was.
  2. Belangenafweging en lichter middel
    1. De rechtbank erkende dat de bewaring ingrijpend was voor de minderjarige zoon, maar oordeelde dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom een lichter middel niet volstond.
    1. De rechtbank nam in aanmerking dat het gezin eerder niet had voldaan aan de meldplicht en zich aan toezicht had onttrokken.
    1. Ook werd van belang geacht dat de moeder voorafgaand aan de inbewaringstelling expliciet had aangegeven niet naar Oostenrijk te willen terugkeren. Hierdoor mocht de minister aannemen dat een vrijwillige overdracht niet realistisch was.
    1. De aanwezigheid van de vader in Nederland en het feit dat het gezin samen een asielprocedure wilde starten, was volgens de rechtbank geen relevante factor in deze procedure. De rechtbank stelde vast dat de vraag of gezinshereniging binnen de Dublinprocedure geboden was, in een andere procedure beoordeeld moest worden.
  3. Geen ambtshalve gebleken onrechtmatigheid
    1. De rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve te oordelen dat de bewaring op enig moment voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was.
    1. Daarom werden de beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.

Overwegingen van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

  1. Bevestiging van de rechtbankuitspraak
    1. De Afdeling verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt de uitspraak van de rechtbank.
    1. De Afdeling neemt de motivering van de rechtbank onder 3.1 volledig over.
  2. Geen vragen van algemeen belang
    1. De Afdeling motiveert haar beslissing summier, omdat het hogerberoepschrift geen rechtsvragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, Vw 2000).
  3. Ambtshalve toetsing
    1. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen reden om de bewaring onrechtmatig te achten.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Het hoger beroep is ongegrond.
  • Gevolgen: De uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
  • Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.

Noten


Verzwaarde belangenafweging voor minderjarig kind gemaakt; eerdere niet-naleving meldplicht en expliciete weigering vrijwillige overdracht rechtvaardigen bewaring

Rb. Den Haag zp Arnhem | 13-12-2024 | ECLI:NL:RBDHA:2024:21282 | NL24.47633 en NL24.47634 | Vreemdelingenrecht – Bewaring art. 59a lid 1 Vw / Dublin Oostenrijk | Ongegrond (bekrachtigd door ABRvS: ECLI:NL:RVS:2025:578)

Feiten/Procesverloop Eisers — een moeder en haar minderjarige kind — zijn op 27 november 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a lid 1 Vw 2000 ter voorbereiding van een Dublin-overdracht aan Oostenrijk. De minister hief de maatregelen op 5 december 2024 op, zodat de beoordeling zich beperkt tot de vraag of schadevergoeding toekomt. De bewaring was gebaseerd op een concrete Dublin-aanknoping en een significant onttrekkingsrisico. De zitting vond op 10 december 2024 plaats.

Overwegingen Eisers betwisten uitsluitend de zware grond 3k (niet meewerken aan de overdracht). De overige onbetwiste gronden — 3a (onregelmatige inreis), 3b (onttrekking aan toezicht), 3f (ontdoen van reisdocumenten), 4a, 4c en 4d — zijn feitelijk juist, voldoende toegelicht en kunnen de maatregelen zelfstandig dragen. De betwisting van grond 3k behoeft dan ook geen nadere bespreking.

Ten aanzien van het lichter middel voeren eisers aan dat de belangen van het minderjarige kind en de omstandigheid dat de echtgenoot/vader inmiddels ook in Nederland is, in hun voordeel hadden moeten wegen. De rechtbank verwerpt dit betoog. Eisers hadden zich eerder niet aan hun meldplicht gehouden en waren met onbekende bestemming vertrokken. Bovendien had eiseres bij het gehoor aangegeven absoluut niet terug te willen naar Oostenrijk, zodat vrijwillige overdracht ook op dit moment niet mogelijk was. De minister heeft in de maatregel een deugdelijke verzwaarde belangenafweging gemaakt voor het minderjarige kind. De aanwezigheid van de vader in Nederland en de wens als gezin een asielprocedure te doorlopen lagen niet ter toetsing voor in deze procedure; die ziet immers uitsluitend op de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregelen.

Conclusie De beroepen zijn ongegrond. De verzoeken om schadevergoeding worden afgewezen. De Afdeling bekrachtigde deze uitspraak (ECLI:NL:RVS:2025:578).

Noten

  1. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829 (gronden; feitelijke vaststelling)
  2. HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder