Voortijdige omzetting leidt tot gegrond beroep – ECLI:NL:RBDHA:2025:1699
Rb. Den Haag (zp Utrecht) | 10-02-2025 | NL25.3331 | Bewaring | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 21 januari 2025 heeft de minister aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld, tevens aan te merken als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 3 februari 2025 ter zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Het onderzoek is ter zitting geschorst om de minister in de gelegenheid te stellen informatie te verstrekken over het aantal laissez-passers (lp’s) dat in 2024 door Algerijnse autoriteiten is verstrekt aan ongedocumenteerde vreemdelingen. Partijen hebben daarop schriftelijk gereageerd.
Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en geboren te zijn in 1999.
Overwegingen Rechtbank
- Onjuiste grondslag van de bewaring
- Eiser betoogt dat hij op 21 januari 2025 nog rechtmatig verblijf had omdat de rechtsmiddelentermijn van zijn asielprocedure nog liep.
- De rechtbank overweegt dat de buitenbehandelingstelling van eisers asielaanvraag op 17 januari 2025 gelijkgesteld wordt aan een afwijzing en dat eiser binnen één week beroep en een voorlopige voorziening kon instellen.
- Omdat eiser op 21 januari 2025 nog binnen de rechtsmiddelentermijn zat, had de minister hem niet op grond van artikel 59, eerste lid, van de Vw in bewaring mogen stellen.
- De rechtbank verwijst hierbij naar het arrest Gnandi (HvJEU 19 juni 2018, ECLI:EU:C:2018:465) en Afdelingsjurisprudentie (ECLI:NL:RVS:2019:3442).
- Zicht op uitzetting naar Algerije
- Hoewel het beroep gegrond is, beoordeelt de rechtbank het zicht op uitzetting omdat eiser hierom heeft verzocht.
- De minister heeft gegevens overgelegd waaruit blijkt dat in 2024 125 lp’s zijn verstrekt, waarvan 60 aan ongedocumenteerde Algerijnse vreemdelingen.
- De rechtbank oordeelt dat dit voldoende is om aan te nemen dat zicht op uitzetting naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt.
- Onrechtmatigheid en schadevergoeding
- De rechtbank concludeert dat de bewaring vanaf de oplegging onrechtmatig is.
- De rechtbank kent schadevergoeding toe voor 21 dagen onrechtmatige bewaring.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is gegrond.
- Gevolgen: De rechtbank beveelt de onmiddellijke opheffing van de bewaring per 10 februari 2025.
- Proceskosten: De minister wordt veroordeeld in de proceskosten.
- Schadevergoeding: De rechtbank kent schadevergoeding toe voor 21 dagen onrechtmatige bewaring.
Noten
- ECLI:EU:C:2018:465 (HvJEU Gnandi, 19 juni 2018)
- ECLI:NL:RVS:2019:3442 (ABRvS 15 oktober 2019)