Te laat rechterlijk getoetst leidt tot schadevergoeding – ECLI:NL:RBDHA:2025:1742
Rb. Den Haag (zp Groningen) | 10-02-2025 | NL24.48794 | Bewaring | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
De minister heeft op 14 maart 2024 aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. De rechtbank heeft de zaak op 27 december 2024 behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn niet verschenen. De minister is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Eiser stelt de Gambiaanse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum].
Overwegingen Rechtbank
- Duur van de bewaring en toetsingsverplichting
- De rechtbank stelt vast dat zij de maatregel al eerder heeft getoetst. In de uitspraak van 19 september 2024 (NL24.34651 en NL24.34973) werd geoordeeld dat de bewaring tot 13 september 2024 rechtmatig was.
- Op basis van artikel 15, derde lid, van de Terugkeerrichtlijn moet bij een lange bewaring de rechtmatigheid periodiek door een rechter worden getoetst.
- De rechtbank sluit zich aan bij eerdere jurisprudentie van andere zittingsplaatsen waarin wordt aangenomen dat een periode van drie maanden als “lang” wordt beschouwd.
- Aangezien sinds de vorige toetsing meer dan drie maanden zijn verstreken zonder rechterlijke toets, is de bewaring vanaf 12 december 2024 onrechtmatig.
- Zicht op uitzetting
- De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting naar Gambia in algemene zin niet ontbreekt.
- In het specifieke geval van eiser hebben de Gambiaanse autoriteiten de laissez-passeraanvraag (lp-aanvraag) nog niet definitief afgewezen. Het traject loopt nog.
- Eiser heeft driemaal geweigerd mee te werken aan een presentatie bij de Gambiaanse autoriteiten, laatstelijk op 2 oktober 2024. De rechtbank acht dit relevant, omdat het uitblijven van een lp mede door eisers eigen opstelling komt.
- De minister heeft voldoende inspanningen verricht door viermaal te rappelleren op de lp-aanvraag en viermaal een vertrekgesprek met eiser te voeren.
- Belangenafweging en lichter middel
- Eiser stelt dat de minister onvoldoende kenbaar een belangenafweging heeft gemaakt over de voortduring van de maatregel.
- De rechtbank stelt vast dat de minister in het M120-formulier wel een belangenafweging heeft opgenomen, maar dat deze te algemeen en onvoldoende specifiek is toegespitst op eisers situatie.
- Dit gebrek leidt echter niet tot de onrechtmatigheid van de bewaring, omdat eiser zelf geen persoonlijke omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven tot een lichter middel of beëindiging van de bewaring.
- Hersteluitspraak en schadevergoeding
- In de oorspronkelijke uitspraak van 27 december 2024 werd de bewaring al onrechtmatig geacht vanaf 12 december 2024, maar werd geen schadevergoeding toegekend.
- De rechtbank herstelt dit in deze uitspraak en kent alsnog schadevergoeding toe voor 16 dagen onrechtmatige bewaring, te weten € 1.600,-.
- De proceskostenvergoeding wordt vastgesteld op € 875,-.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is gegrond.
- Gevolgen: De bewaring wordt opgeheven per 27 december 2024.
- Proceskosten: De minister wordt veroordeeld in de proceskosten van € 875,-.
- Schadevergoeding: De rechtbank kent eiser € 1.600,- toe wegens 16 dagen onrechtmatige bewaring.
Noten
- ECLI:EU:C:2022:858 (HvJEU 8 november 2022)
- ECLI:NL:RVS:2023:3003 (ABRvS 4 augustus 2023)
- ECLI:NL:RBDHA:2024:14865 (Rb. Den Haag 19 september 2024)