Uitgesteld horen op zitting: termijnen vooronderzoek & horen & uitspraak niet overschreden – ECLI:NL:RBDHA:2025:3084
Rb. Den Haag (zp Groningen) | 28-02-2025 | NL25.6068 | Bewaring | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 10 januari 2025 heeft de minister aan eiser een maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Deze maatregel duurt voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld en verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 21 februari 2025 behandeld tijdens een telehoorzitting, maar deze zitting werd onderbroken door een alarmsituatie in het detentiecentrum Rotterdam. De rechtbank heeft de zitting daarom hervat op 28 februari 2025. Eiser was fysiek aanwezig bij de rechtbank in Groningen, terwijl zijn gemachtigde via een videoverbinding deelnam. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.
Eiser stelt de Griekse nationaliteit te hebben en geboren te zijn op [geboortedatum].
Overwegingen Rechtbank
- Tijdigheid van het sluiten van het vooronderzoek
- Eiser voert aan dat het vooronderzoek te laat is gesloten en dat de uitspraak niet binnen 21 dagen na het instellen van het beroep is gedaan. Dit zou de bewaring onrechtmatig maken.
- De rechtbank stelt vast dat eiser op 7 februari 2025 beroep heeft ingesteld en dat de rechtbank op 14 februari 2025 een uitnodiging voor de zitting heeft verstuurd. Hiermee is het vooronderzoek tijdig gesloten conform artikel 96, eerste lid, Vw 2000.
- Hoewel de zitting later heeft plaatsgevonden vanwege de alarmsituatie, doet dit niet af aan het tijdig sluiten van het vooronderzoek.
- De uitspraak is op de 21e dag na het instellen van het beroep gedaan, waarmee aan de wettelijke termijn is voldaan.
- Voortvarendheid bij uitzetting
- Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting en wijst erop dat bij de uitzetting van een Unieburger een verhoogde mate van voortvarendheid vereist is (ECLI:NL:RVS:2022:3338).
- De rechtbank stelt vast dat:
- Op 27 januari 2025 een vertrekgesprek met eiser is gevoerd.
- Op 6 februari 2025 door de Dienst Internationale Aangelegenheden (DIA) een aanvraag voor een reisdocument is ingediend bij de Griekse autoriteiten.
- Op 26 februari 2025 opnieuw een vertrekgesprek met eiser heeft plaatsgevonden.
- De rechtbank overweegt dat de vertraging tussen de digitale verzending naar DIA (10 januari 2025) en de daadwerkelijke indiening van de aanvraag (6 februari 2025) verklaarbaar is door noodzakelijke verificaties, zoals het vertalen van de identiteitskaart, controle op de geldigheid van de foto, en aanvullende informatie over de ouders en een halfbroer van eiser.
- De rechtbank acht deze handelingen voldoende voortvarend en overweegt dat de minister meer dan gebruikelijke voortvarendheid heeft betracht.
- Zicht op uitzetting en toepassing lichter middel
- De rechtbank ziet geen aanwijzingen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Er zijn geen signalen dat de Griekse autoriteiten niet meewerken of dat zij te kennen hebben gegeven geen laissez-passer (lp) voor eiser te zullen afgeven.
- Eiser heeft geen feiten en omstandigheden naar voren gebracht waaruit blijkt dat de bewaring onevenredig bezwarend is geworden of dat een lichter middel had moeten worden opgelegd.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: De bewaring blijft in stand.
- Proceskosten: Geen proceskostenvergoeding.
- Schadevergoeding: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2022:3338 (ABRvS 18 november 2022)