Geen zitting in persoon mogelijk, schending artikel 5 EVRM – ECLI:NL:RBDHA:2025:4904
Rb. Den Haag (zp Middelburg) | 25-03-2025 | NL25.12070 | Alternatieven voor zitting niet goed onderzocht | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, Marokkaanse nationaliteit, is op 11 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59a Vw. Op 13 maart 2025 stelde hij beroep in en werd gemeld dat de gemachtigde geen toestemming gaf voor schriftelijke afdoening. De zitting vond plaats op 19 maart 2025 om 11:15 uur, terwijl de overdracht aan Duitsland gepland stond op dezelfde dag om 11:00 uur. Eiser was daardoor niet aanwezig op zitting. Hij verzoekt om schadevergoeding.
Overwegingen Rechtbank
- Eiser heeft nooit afstand gedaan van zijn recht om in persoon te worden gehoord. De gemachtigde weigerde expliciet toestemming voor behandeling bij afwezigheid.
- Verweerder voerde aan te hebben geprobeerd de overdracht op 19 maart te verplaatsen, maar onderbouwde dit niet.
- Verweerder wist tijdig dat eiser niet schriftelijk wilde afdoen en had passende organisatorische maatregelen moeten nemen.
- De rechtbank overweegt dat een overdracht enkele uren later mogelijk was geweest. Eiser zou per videoverbinding worden gehoord; reistijd naar de rechtbank was dus niet relevant.
- Op grond van artikel 5 EVRM heeft eiser recht op hoor en wederhoor in persoon bij beoordeling van zijn detentie.
- De schending van dit fundamentele recht rechtvaardigt geen belangenafweging. De maatregel is vanaf aanvang onrechtmatig.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep gegrond
- Gevolgen: Bewaring onrechtmatig vanaf 11 maart 2025
- Schadevergoeding: €800 (8 dagen detentie à €100)
- Proceskostenvergoeding: €1.814
Noten