Bewaring – Klacht over rechtsbijstand vóór gehoor – ECLI:NL:RBDHA:2025:6459
Rb. Den Haag (zp Arnhem) | 14-04-2025 | NL25.14870 | Bewaring – Recht op bijstand – Zicht op uitzetting – Beroep ongegrond
Feiten en procesverloop
Eiser, van Roemeense nationaliteit, is op 12 maart 2025 in bewaring gesteld. Hij betoogt dat hem voorafgaand aan het gehoor ten onrechte geen rechtsbijstand is geboden. Volgens eiser:
- is hij niet geïnformeerd dat zijn advocaat om 09:30 uur beschikbaar zou zijn;
- begon het gehoor al om 09:14 uur, zonder zijn advocaat;
- staat in het proces-verbaal enerzijds dat hij afstand deed van rechtsbijstand, maar anderzijds dat de wachttijd van twee uur was verstreken;
- werd het gehoor onderbroken omdat hij onwel werd;
- kon hij daarna niet meer naar beneden komen om met zijn inmiddels gearriveerde advocaat te spreken;
- werd het zijn advocaat niet toegestaan naar zijn kamer te komen;
- stelt hij dat hij zonder bijstand onvoldoende heeft kunnen verklaren, met name over alternatieven voor bewaring.
Overwegingen rechtbank
De rechtbank overweegt als volgt:
- Het recht op rechtsbijstand in bewaringszaken is geregeld in artikel 100 Vw 2000, artikel 5.2 Vb 2000 en paragraaf A5/6.5 Vc 2000.
- Volgens het proces-verbaal heeft eiser afstand gedaan van rechtsbijstand. Ook indien dat onjuist zou zijn, geldt dat het gehoor is aangevangen nadat de wachttijd van twee uur was verstreken.
- Dat eiser niet is meegedeeld dat zijn advocaat om 09:30 uur beschikbaar zou zijn, doet daar niet aan af.
- Eiser gaf na onderbreking van het gehoor aan dat hij niet in staat was om zijn advocaat te spreken.
- Er is geprobeerd het gehoor te hervatten, maar eiser weigerde terug te keren naar de verhoorkamer.
- De minister heeft de bewaring gebaseerd op de beschikbare informatie. Eiser heeft weinig verklaard, maar wel aangegeven niet mee te willen werken aan terugkeer.
- Volgens de rechtbank ligt het op de weg van eiser om informatie aan te dragen voor een lichter middel. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom daar niet mee is volstaan.
Conclusie
- Het beroep is ongegrond.
- Er is geen sprake van schending van het recht op rechtsbijstand.
- Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
- Geen proceskostenveroordeling.