Meldplicht voor vaste bewoner Leger des Heils

Bewaring – Lichter middel onvoldoende gemotiveerd – ECLI:NL:RBDHA:2025:7289

Rb. Den Haag (zp Roermond) | 16-04-2025 | NL25.15109 | Algerijnse nationaliteit – beroep gegrond – opheffing bewaring – schadevergoeding toegekend


Feiten en Procesverloop

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 25 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59b, eerste lid, onder a en b, Vw. Verweerder voert als gronden voor bewaring aan: (1) het vaststellen van de identiteit/nationaliteit en (2) het verkrijgen van gegevens voor de beoordeling van de asielaanvraag.

Als zware gronden zijn opgevoerd:

  • 3a: illegale binnenkomst;
  • 3b: eerdere onttrekking aan toezicht (2006–2007);
  • 3c: niet naleven vertrekplicht uit 1997;
  • 3i: te kennen geven dat geen gevolg zal worden gegeven aan terugkeerplicht.

Als lichte grond is aangevoerd:

  • 4a: niet voldoen aan verplichtingen uit hoofdstuk 4 Vb.

Eiser stelt dat hij sinds 2017 in beeld is bij de autoriteiten, verblijf houdt in opvang van het Leger des Heils, zich steeds aan de meldplicht heeft gehouden, en regelmatig is verschenen bij DT&V-gesprekken. Hij betwist dat een onttrekkingsrisico bestaat en voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel, zoals een meldplicht.


Overwegingen Rechtbank

1. Bewaringsgronden (3a en 3c)

  • De rechtbank acht de zware gronden 3a (illegale binnenkomst) en 3c (verzuim vertrekplicht sinds 1997) terecht tegengeworpen.
  • Gronden 3b, 3i en 4a worden niet beoordeeld, nu 3a en 3c de maatregel kunnen dragen.

2. Onvoldoende motivering lichter middel

  • De rechtbank stelt vast dat eiser sinds 2017 onafgebroken in opvang van het Leger des Heils verblijft, werkt in de dagbesteding en zichtbaar is voor de autoriteiten.
  • De onttrekkingsincidenten van 2006–2007 zijn te ver verwijderd in de tijd (ruim 17 jaar) en mogen niet zonder meer zwaarder wegen dan de langdurige naleving van meldplicht.
  • Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom eiser deze stabiele situatie plotseling zou opgeven, noch waarom hij thans een risico vormt op onttrekking.
  • Verweerder baseert zijn risico-inschatting mede op het feit dat eiser niet is vertrokken na gesprekken met DT&V. De rechtbank oordeelt echter dat deze omstandigheid onvoldoende is, zeker gezien de asielprocedure waarin eiser zich bevindt.
  • Het vermoeden dat de asielaanvraag niet oprecht is, acht de rechtbank onvoldoende onderbouwd en bovendien niet bepalend, mede omdat de maatregel niet mede is gebaseerd op artikel 59b, onder c, Vw.
  • De rechtbank oordeelt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet met een meldplicht kon worden volstaan.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroep gegrond
  • Opheffing maatregel en onmiddellijke invrijheidstelling bevolen
  • Schadevergoeding: € 2.300 (23 dagen detentie)
  • Proceskostenvergoeding: € 1.814

Noten

• Vw 2000 – artikel 59b lid 1 onder a en b
• Besluit proceskosten bestuursrecht

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder