Hier is de samenvatting van ECLI:NL:RBDHA:2025:7979, opgesteld volgens jouw richtlijnen:
Bewaring – Onjuiste tijdstippen heenzending strafzaak – geen onrechtmatige ophouding – ECLI:NL:RBDHA:2025:7979
Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 04-04-2025 | NL25.14164 | Senegalese nationaliteit – geen schending procesorde – bewaringsgronden 3b, 3c en 4c voldoende – beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Senegalese nationaliteit, is op 24 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw. De maatregel volgde op ophouding, die op 23 maart 2025 om 22:15 uur zou zijn aangevangen volgens het proces-verbaal. Eiser betwistte dit tijdstip, omdat uit het stuk “Strafrechtelijke contextinformatie” blijkt dat hij pas op 24 maart om 08:14 uur strafrechtelijk is heengezonden.
De zitting vond plaats op 2 april 2025. Eiser had afstand gedaan van het recht om gehoord te worden. Zijn gemachtigde was wel aanwezig.
Overwegingen Rechtbank
1. Ophouding: geen overschrijding van zes uur
- De rechtbank constateert een verschil tussen het proces-verbaal (M105A) en het mutatierapport over het tijdstip van strafrechtelijke heenzending (23 maart 22:15 uur vs. 24 maart 08:14 uur).
- Gezien de opmaakdatum van het proces-verbaal (24 maart) en de vermelding van het tijdstip als pleegdatum in het mutatierapport, oordeelt de rechtbank dat sprake is van een kennelijke verschrijving.
- De bewaring werd om 12:11 uur opgelegd. Zelfs uitgaande van 08:14 uur als start ophouding is, gelet op uitsluiting van de nachturen, de maximale termijn van zes uur niet overschreden.
2. Beoordeling bewaringsgronden
- Verweerder heeft de volgende gronden aangevoerd:
- Zware gronden: 3a, 3b, 3c, 3h
- Lichte gronden: 4c, 4d
- Eiser betwist alle gronden.
- De rechtbank acht de gronden 3b (onttrekking aan toezicht) en 3c (niet-naleving vertrekplicht) voldoende onderbouwd.
- Eiser is op 23 mei 2024 tot ongewenst vreemdeling verklaard; hij heeft zich niet gemeld bij de korpschef en is ondanks die status opnieuw Nederland binnengekomen.
- De lichte grond 4c is eveneens terecht tegengeworpen; enkel het opgeven van een adres is onvoldoende bij ontbreken van BRP-inschrijving of ander bewijs van vaste verblijfplaats.
- Gronden 3b, 3c en 4c zijn in samenhang voldoende voor de maatregel.
3. Geen ambtshalve grond voor onrechtmatigheid
- De rechtbank ziet geen reden om ambtshalve te oordelen dat de maatregel onrechtmatig is.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep ongegrond
- Verzoek om schadevergoeding: Afgewezen
- Proceskostenvergoeding: Niet toegekend
Noten
• Vw 2000 – artikel 59 lid 1 onder a
• Vb 2000 – artikel 5.1b leden 1, 3 en 4
• ECLI:NL:RVS:2020:829
• ECLI:EU:C:2022:858 – HvJEU, C.B. en X.