Bewaring – Voortduring onrechtmatig wegens bevestigd verblijfsrecht Italië – schadevergoeding – ECLI:NL:RBDHA:2025:8204
Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 29-04-2025 | NL25.16801 | Onrechtmatig vanaf 7 april 2025 – beroep gegrond – schadevergoeding en proceskosten toegekend
Feiten en Procesverloop
Eiser, van niet vermelde nationaliteit, is op 20 maart 2025 in bewaring gesteld op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, Vw. De maatregel is op 8 april 2025 opgeheven. Op 10 april 2025 stelde eiser beroep in tegen de voortduring van de maatregel in de periode 2 april 2025 (sluiting onderzoek in eerste bewaringszaak) tot en met 8 april 2025. Hij verzocht om schadevergoeding.
Eiser voerde aan dat hij verblijfsrecht in Italië had, waarover verweerder eerder en voortvarend onderzoek had moeten doen. Hij meldde dit al in 2020, maar verweerder nam pas op 25 maart 2025 contact op met de Italiaanse autoriteiten. De bevindingen uit dit onderzoek werden niet gedeeld tijdens de eerste zitting. Eiser overhandigde zelf geen bewijs van zijn verblijfsrecht.
Overwegingen Rechtbank
1. Onderzoeksplicht en concrete aanknopingspunten
- De rechtbank oordeelt dat verweerder alleen gehouden is onderzoek te doen naar een verblijfsrecht in een andere EU-lidstaat als de vreemdeling concrete aanknopingspunten aandraagt.
- Eiser heeft op geen enkel moment stukken overgelegd die zijn verblijfsrecht in Italië onderbouwen en heeft er bewust voor gekozen zijn Italiaanse verblijfsvergunning niet te tonen.
- In zoverre slaagt de beroepsgrond niet: verweerder hoefde aanvankelijk geen nader onderzoek te doen.
2. Nieuwe informatie uit Italië en beëindiging bewaring
- Verweerder heeft op 25 maart 2025 toch navraag gedaan bij de Italiaanse politie.
- Aanvankelijk kreeg hij bericht dat de vergunning in 2020 verlopen was.
- Op 7 april 2025 meldde de Italiaanse politie dat weliswaar de vergunning in 2024 was verlopen, maar dat een verlengingsaanvraag liep en eiser daarom als rechtmatig verblijvend moest worden beschouwd.
- De volgende dag (8 april 2025) werd de bewaring opgeheven.
- De rechtbank oordeelt dat de maatregel vanaf 7 april 2025 onrechtmatig was.
3. Schadevergoeding
- Verweerder bood € 100 schadevergoeding aan voor 1 dag (7–8 april).
- De rechtbank kent 2 dagen toe, omdat volgens het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht (naar aanleiding van HR 11 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1542) zowel de eerste als de laatste dag volledig meetellen.
- Schadevergoeding: € 200.
4. Proceskostenvergoeding
- Proceskosten: € 1.814 (2 procespunten, waarde € 907, wegingsfactor 1).
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep gegrond
- Schadevergoeding: € 200 (2 dagen)
- Proceskostenvergoeding: € 1.814
Noten
• Vw 2000 – artikel 59 lid 1 onder a
• ECLI:NL:RVS:2007:BB8314
• ECLI:EU:C:2022:858 – HvJEU, C.B. en X.
• ECLI:NL:HR:2018:1542 – Hoge Raad, LOvS-afspraak schadevergoeding