Bewaring – Terugkeerbesluit Nigeria – Zicht op uitzetting – Voortvarendheid – ECLI:NL:RVS:2025:1410
ABRvS | 02-04-2025 | NL23.2076 | Hoger beroep gegrond; uitspraak rechtbank vernietigd; beroep vreemdeling ongegrond; schadevergoeding afgewezen; geen proceskostenvergoeding
Feiten en Procesverloop
De vreemdeling is op 23 januari 2023 in bewaring gesteld. De rechtbank Den Haag (zp Rotterdam) verklaarde het beroep tegen de maatregel op 1 februari 2023 gegrond, beval de opheffing van de maatregel en kende schadevergoeding toe. De staatssecretaris stelde hoger beroep in. De vreemdeling stelde in zijn schriftelijke uiteenzetting onder meer dat het terugkeerbesluit van 4 augustus 2020 geen geldige basis was voor de maatregel.
Overwegingen Afdeling
De Afdeling oordeelt dat het besluit van 4 augustus 2020 voldoet aan de eisen van een terugkeerbesluit zoals bedoeld in ECLI:NL:RVS:2021:1155, ook al wordt daarin niet expliciet een land van terugkeer genoemd. Uit het voornemen en de motivering van het besluit blijkt dat de vreemdeling Nigeriaans is en dat uitzetting naar Nigeria beoogd werd. De vreemdeling is daar ook van op de hoogte gesteld tijdens het gehoor en de vertrekgesprekken. De grief van de minister slaagt, en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.
De Afdeling beoordeelt vervolgens het beroep zelf. De beroepsgrond dat zicht op uitzetting naar Nigeria ontbreekt faalt: de laissez-passeraanvraag is nog in behandeling, een presentatie is voorzien, en de vreemdeling heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat Nigeria geen lp zal verstrekken bij medewerking. Ook het betoog over onvoldoende voortvarendheid slaagt niet: er hebben gesprekken en stappen plaatsgevonden binnen een korte termijn na oplegging. De Afdeling ziet ook ambtshalve geen onrechtmatigheid.
Conclusie en Gevolgen
Uitspraak: Hoger beroep gegrond; uitspraak rechtbank vernietigd; beroep ongegrond; schadevergoeding afgewezen; geen proceskostenvergoeding.
Noten
- Vw 2000 – art. —
- ECLI:NL:RVS:2021:1155
- ECLI:NL:RVS:2025:1410