Afgegeven LP vrije voeter niet benut. Meldplicht mogelijk. Nieuwe bewaring onredelijk.

Geldig LP niet benut: nieuwe bewaring na strafrechtelijke aanhouding onvoldoende gemotiveerd

Rb. Den Haag | zp Roermond | 02-01-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:29 | NL25.62747 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 onder a Vw 2000) | Beroep gegrond

Feiten en procesverloop

Eiser (Marokkaanse nationaliteit, geboren 1972) verblijft 42 jaar in Nederland; zijn verblijfsvergunning werd op 28 mei 2014 ingetrokken. Na een eerdere bewaring van 22 oktober 2024 tot 11 april 2025 (5,5 maanden), die de minister uit eigen beweging ophief, verstrekte Marokko een LP geldig van 8 mei tot 7 juli 2025. De minister heeft eiser in die periode niet verwijderd. Op 20 december 2025 werd eiser na strafrechtelijke aanhouding (art. 447e Sr) opnieuw in bewaring gesteld. Eiser staat ingeschreven in de BRP en heeft een vast woonadres. Na opheffing van de vorige maatregel heeft de minister geen meldplicht opgelegd en geen controle op het BRP-adres uitgevoerd.

Zware gronden: 3a (onregelmatige inreis), 3b (onttrekking toezicht), 3c (niet-naleving terugkeerplicht); lichte grond: 4d (onvoldoende middelen). Eiser stelde dat de maatregel onvoldoende is gemotiveerd en dat met een lichter middel had kunnen worden volstaan.

Overwegingen rechtbank

Unierechtelijke verwijderingsverplichting: Op grond van art. 8 lid 1 Richtlijn 2008/115/EG en het loyaliteitsbeginsel moeten lidstaten zo spoedig mogelijk overgaan tot verwijdering zodra een terugkeerbesluit vaststaat. Verwezen naar ECLI:EU:C:2021:9 (TQ) en ECLI:EU:C:2015:260 (Zaizoune): dit is een verplichting, geen bevoegdheid. De minister heeft de geldige LP niet benut terwijl het adres van eiser bekend was.

Bewaringsgronden en proportionaliteit: De vaste Afdelingsjurisprudentie dat feitelijk juiste zware gronden steeds een onttrekkingsrisico onderbouwen, is in deze bijzondere omstandigheden (recente opheffing, BRP-inschrijving, onbenut LP) niet onverkort van toepassing. De motivering in de maatregel is summier en standaardmatig.

Lichter middel: Een vertrekgesprek van 20 minuten had ook buiten bewaring kunnen plaatsvinden. Na opheffing had de minister een meldplicht kunnen opleggen.

Conclusie en gevolgen

  • Oordeel: beroep gegrond; maatregel onrechtmatig van het moment van opleggen; opheffing bevolen; eiser in vrijheid gesteld.
  • Schadevergoeding (art. 106 Vw): EUR 1.430.
  • Proceskosten: EUR 1.868.

Noten

– ECLI:EU:C:2021:9 (TQ) — HvJEU 14 januari 2021, C-441/19: art. 8 lid 1 Richtlijn 2008/115 verplicht lidstaten terugkeerbesluiten zo spoedig mogelijk ten uitvoer te leggen; verwijdering is een verplichting, geen bevoegdheid.

– ECLI:EU:C:2015:260 (Zaizoune) — HvJEU 23 april 2015, C-38/14: lidstaten moeten zo snel mogelijk voldoen aan de verwijderingsplicht ex art. 8 Richtlijn 2008/115.

– ECLI:EU:C:2025:647 (Adrar) — HvJEU 2025: toetsingscriteria voor ambtshalve beoordeling voortduring bewaring.

– Artikel 59 lid 1 onder a Vw 2000 — bewaring wegens ontbreken rechtmatig verblijf ter verzekering van uitzetting.

– Artikel 8 Richtlijn 2008/115/EG — verwijderingsplicht: lidstaten nemen alle nodige maatregelen voor verwijdering zodra terugkeerbesluit van kracht is en betrokkene niet vrijwillig vertrekt.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder