Politie mocht beginnen met gehoor: toestemming gegeven

Klachten over onmogelijkheid aanwezigheid advocaat bij gehoor ongegrond

Rb. Den Haag | zp Arnhem | 20-01-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:1177 | NL26.237 / NL26.2073 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 onder a Vw; TKB/IRV) | Beide beroepen ongegrond

Feiten en procesverloop

Eiser (Oezbeekse nationaliteit) is op 4 januari 2026 gelijktijdig met een terugkeerbesluit en een inreisverbod van twee jaar in bewaring gesteld op grond van art. 59 lid 1 onder a Vw wegens risico op onttrekking. Zware gronden: 3a (onrechtmatige binnenkomst), 3b (onttrekking aan toezicht, ca. drie maanden). Lichte gronden: 4a (schending verplichtingen hoofdstuk 4 Vb: niet-aanmelding bij de korpschef ex art. 4.39 Vb en geen melding arbeid ex art. 4.42 Vb), 4c (geen vaste woon- of verblijfplaats). Lichte grond 4f (arbeid in strijd met de Wav) ambtshalve geschrapt wegens ontbreken van stukken van de Arbeidsinspectie. Zitting: 13 januari 2026.

Overwegingen rechtbank

– Effectieve rechtsbijstand — afgewezen. Eiser voerde aan dat piketdiensten structureel te laat worden ingeroosterd, dat zijn gemachtigde pas werd benaderd toen de twee-uurstermijn nagenoeg was verstreken en dat een afgesproken telefoongesprek tussen eiser en zijn gemachtigde — vóórdat het gehoor startte — niet heeft plaatsgevonden.

– De rechtbank verwierp dit op drie gronden.

  • Ten eerste bevestigen beide processen-verbaal van gehoor, alsook de verklaring ter zitting, uitdrukkelijk dat zowel eiser als zijn gemachtigde toestemming hebben gegeven om het gehoor te starten terwijl de gemachtigde nog onderweg was; zij gaf aan om 11:12 uur telefonisch te kennen dat alvast gestart kon worden.
  • Ten tweede blijkt nergens uit de processen-verbaal — die op ambtseed zijn opgemaakt — dat partijen hadden afgesproken dat eiser voorafgaand aan het bewaringsgehoor telefonisch contact zou hebben met zijn gemachtigde; de rechtbank had geen reden om aan de juistheid van die ambtsedige verklaringen te twijfelen.
  • Ten derde erkende de rechtbank dat de gemachtigde — die pas om 11:48 uur bij het gehoor aanwezig kon zijn omdat zij de verhoorruimte op het politiebureau nog moest zoeken — begrijpelijkerwijs eerder aanwezig had willen zijn, maar die omstandigheid levert niet op dat eiser ten onrechte in afwezigheid van een advocaat is gehoord.

– 24-uurstermijn politiecel: afgewezen. Bewaring aangevangen op 4 januari om 15:25 uur, transport naar detentiecentrum op 5 januari om 11:15 uur — minder dan 24 klokuren. De termijn eindigt bij verlaten van de politiecel, niet bij aankomst in de gespecialiseerde inrichting (ECLI:NL:RVS:2024:2181).

– Onbetrouwbaar PV van gehoor: afgewezen. Aanvullend PV van bevindingen bevat slechts verduidelijking; geen tegenstrijdigheden vastgesteld.

– Lichter middel: afgewezen. Eiser verklaarde geen geld te hebben voor ticket naar Oezbekistan en in Nederland te willen blijven om schulden af te lossen; dit onttrekkingsrisico rechtvaardigt bewaring boven meldplicht.

– TKB/IRV: beroep ongegrond. Terugkeerbesluit en inreisverbod voldoende gemotiveerd; eiser heeft geen rechtmatig verblijf.

Conclusie en gevolgen

  • – Beide beroepen ongegrond.
  • – Schadevergoeding: afgewezen.
  • – Proceskosten: geen veroordeling.

Noten

1. ECLI:NL:RVS:2024:2181 — ABRvS 28 mei 2024: de termijn van 24 uur politiecel eindigt op het moment dat de vreemdeling de politiecel verlaat, niet bij aankomst in de gespecialiseerde inrichting.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder