Bewaring – Vervolgberoep – Zicht op uitzetting Algerije – ECLI:NL:RBDHA:2025:9780
Rb. Den Haag (zp Middelburg) | 03-06-2025 | NL25.23687 | Bewaring (art. 59 lid 1 sub a Vw) | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser stelt te zijn geboren in 2005 en de Algerijnse nationaliteit te hebben. Aan eiser is op 25 april 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000. De maatregel duurt voort.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van de bewaring en verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd, waarop eiser heeft gereageerd. De rechtbank heeft bepaald dat een zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 2 juni 2025.
De rechtbank stelt vast dat zij de maatregel reeds eerder heeft getoetst. Bij uitspraak van 8 mei 2025 is geoordeeld dat de bewaring tot en met 7 mei 2025 rechtmatig was (ECLI:NL:RBDHA:2025:7993). De beoordeling ziet daarom uitsluitend op het voortduren van de bewaring sinds 7 mei 2025.
Overwegingen Rechtbank
Zicht op uitzetting
Eiser voert aan dat geen sprake is van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn, omdat:
- presentaties niet plaatsvinden als de nationaliteit niet is bevestigd;
- uit een andere zaak zou blijken dat de Algerijnse consul alleen gedocumenteerde zaken of zaken met bevestigde nationaliteit accepteert;
- schriftelijk rappelleren zonder direct contact met de consul onvoldoende voortvarend is.
De rechtbank overweegt dat verweerder op 21 mei 2025 en 26 mei 2025 uitzettingshandelingen heeft verricht door:
- het versturen van een rappel aan de Algerijnse autoriteiten inzake de lp-aanvraag;
- het voeren van een vertrekgesprek met eiser.
Het uitblijven van een reactie op de lp-aanvraag, ondanks rappellen, is volgens de rechtbank onvoldoende om te concluderen dat zicht op uitzetting ontbreekt. De Algerijnse autoriteiten hebben niet laten weten dat geen lp zal worden afgegeven. Daarnaast heeft eiser geen poging ondernomen zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl op hem de plicht rust actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting.
De door eiser aangehaalde verwijzing naar “een andere zaak” maakt niet aannemelijk dat presentaties in het geheel niet plaatsvinden wanneer de nationaliteit niet is bevestigd. Het is de rechtbank niet gebleken dat het lp-traject bij voorbaat zonder resultaat zal blijven.
Voortvarendheid
Gelet op de verrichte uitzettingshandelingen en het ontbreken van aanwijzingen dat het lp-traject uitzichtloos is, oordeelt de rechtbank dat verweerder voldoende voortvarend handelt.
Overige toetsing
De rechtbank ziet ook overigens geen aanleiding voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: de maatregel van bewaring duurt voort.
- Schadevergoeding: afgewezen.
- Proceskosten: geen proceskostenveroordeling.
Noten
- Artikel 59 Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 96 Vreemdelingenwet 2000
- ECLI:NL:RBDHA:2025:7993