Bewaring – Verkeerde grondslag ophouding – ECLI:NL:RBDHA:2025:9755
Rb. Den Haag (zp Groningen) | 03-06-2025 | NL25.21907 | Bewaring (art. 59 lid 1 sub a Vw) | Beroep ongegrond, wél proceskosten
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, is geboren op een niet nader gespecificeerde datum en heeft geen rechtmatig verblijf in Nederland. Aan eiser is op 12 mei 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.
Eiser heeft tegen deze maatregel beroep ingesteld; dit beroep geldt tevens als verzoek om schadevergoeding. De behandeling vond plaats op 23 mei 2025 en, na schorsing wegens het ontbreken van een tolk, op 30 mei 2025.
Aan de maatregel zijn onder meer de volgende gronden ten grondslag gelegd:
- Zware gronden:
3b (onttrekking aan toezicht),
3c (niet-naleving vertrekplicht),
3i (te kennen gegeven niet terug te keren); - Lichte gronden:
4c (geen vaste woon- of verblijfplaats),
4d (geen middelen van bestaan).
De lichte grond 4b is ter zitting door de minister laten vallen.
Eiser betoogt onder meer dat het voortraject gebrekkig is, omdat hij op een onjuiste wettelijke grondslag is opgehouden. Volgens eiser stond zijn identiteit en nationaliteit vast, zodat artikel 50, derde lid, Vw had moeten worden toegepast.
Overwegingen Rechtbank
Voortraject – grondslag ophouding
De rechtbank oordeelt dat:
- het ontbreken van een strafrechtelijk proces-verbaal geen gebrek oplevert;
- het ontbreken van een expliciete keuze voor één fouilleringsgrondslag evenmin tot onrechtmatigheid leidt.
Ten aanzien van de grondslag voor de ophouding oordeelt de rechtbank echter anders. Uit het document ID-staat volgt dat de identiteit en nationaliteit van eiser zijn vastgesteld aan de hand van een paspoort. Daarmee had de ophouding moeten plaatsvinden op grond van artikel 50, derde lid, Vw, en niet op een andere grondslag. Dit levert een gebrek in het voortraject op.
Dit gebrek leidt echter niet tot onrechtmatigheid van de bewaring, omdat de rechtsgevolgen van artikel 50, tweede en derde lid, Vw gelijk zijn en niet is gebleken dat eiser door de verkeerde grondslag in zijn belangen is geschaad. Wel ziet de rechtbank hierin aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Grondslag bewaring en gronden
De rechtbank stelt vast dat eiser valt onder de categorie van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Eiser heeft geen rechtmatig verblijf en heeft op 11 maart 2022 een terugkeerbesluit ontvangen.
De rechtbank overweegt dat eiser de aan de maatregel ten grondslag gelegde gronden niet heeft betwist. Ambtshalve ziet de rechtbank evenmin aanleiding voor het oordeel dat deze gronden onvoldoende zijn. De zware en lichte gronden 3b, 3c, 3i, 4c en 4d kunnen de maatregel dragen en rechtvaardigen het standpunt dat sprake is van een risico op onttrekking en het ontwijken of belemmeren van de uitzettingsprocedure.
Lichter middel
Gelet op de gronden en de niet-actieve medewerking van eiser mocht de minister ervan uitgaan dat eiser niet uit eigen beweging gevolg zal geven aan zijn vertrekplicht. Een lichter middel is daarom niet doeltreffend.
De rechtbank overweegt dat de minister de door eiser aangevoerde medische omstandigheden (rugklachten en wietverslaving) voldoende heeft betrokken en dat medische zorg in detentie gelijkwaardig is aan die in de vrije maatschappij. De bewaring is niet onevenredig bezwarend.
Voortvarendheid en zicht op uitzetting
De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend heeft gehandeld, onder meer door:
- een vertrekgesprek op 15 mei 2025;
- het opstarten van een laissez-passer-aanvraag op 16 mei 2025.
Daarnaast ontbreekt zicht op uitzetting naar Gambia niet. De rechtbank verwijst naar
ECLI:NL:RVS:2023:3003.
Dat eiser geen actieve medewerking verleent aan zijn uitzetting, komt voor zijn rekening.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: de maatregel van bewaring blijft in stand.
- Schadevergoeding: afgewezen.
- Proceskosten: verweerder veroordeeld tot betaling van € 1.814,– aan de rechtsbijstandverlener.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2023:3003
- ECLI:NL:RVS:2022:85
- ECLI:NL:RVS:2022:2210
- Artikel 59 Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 50 Vreemdelingenwet 2000