Voorlopige voorziening – Belang van het kind – ECLI:NL:RBDHA:2025:10145
Rb. Den Haag (zp Arnhem) | 06-06-2025 | NL25.25473 | Voorlopige voorziening – Dublin | Verzoek toegewezen
Feiten en Procesverloop
De Minister van Asiel en Migratie heeft bij besluit van 17 februari 2025 de asielaanvraag van verzoekster en haar twee minderjarige kinderen (een 14-jarige zoon en een 8-jarige dochter) niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is.
De rechtbank heeft dat beroep met uitspraak van 9 april 2025 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RBDHA:2025:5933). De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep met uitspraak van 15 mei 2025 ongegrond verklaard (ECLI:NL:RVS:2025:2218).
Verzoekster en haar beide kinderen zouden op 19 mei 2025 vrijwillig naar Kroatië vertrekken. Op 17 mei 2025 vertrok de 14-jarige zoon echter met onbekende bestemming uit de opvanglocatie. Verzoekster weigerde hierna met haar dochter naar Kroatië te vertrekken.
De Dienst Terugkeer & Vertrek heeft op 5 juni 2025 aan verzoekers meegedeeld dat zij op 9 juni 2025 om 14:25 uur aan Kroatië zullen worden overgedragen. Op 5 juni 2025 heeft verzoekster bezwaar gemaakt. Op 6 juni 2025 hebben verzoekers de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter nodigde partijen niet uit voor een zitting omdat onverwijlde spoed dat vereiste. Op 6 juni 2025 om 21:08 uur is het dictum telefonisch aan partijen meegedeeld.
Standpunt verzoekers: Het belang van het kind verzet zich tegen de gedwongen overdracht. De 14-jarige zoon blijft alleen in Nederland achter, wat bijzonder kwetsbaar is. De gescheiden overdracht heeft ernstige gevolgen voor het welzijn en de emotionele ontwikkeling van de 8-jarige dochter. De minister heeft de Kroatische autoriteiten niet geïnformeerd over het feit dat de zoon niet meekomt.
Standpunt minister: Verzoekers hebben bewust de omstandigheid gecreëerd dat het gezin niet gelijktijdig kan worden overgedragen. Verzoekster weet waar haar zoon verblijft en heeft actief het vertrek gefrustreerd. De gescheiden overdracht is gerechtvaardigd en proportioneel.
Overwegingen Voorzieningenrechter
De voorzieningenrechter stelde vast dat het gezin nog bij elkaar was op het moment dat het overdrachtsbesluit werd genomen, op het moment van uitspraak op het beroep, en op het moment van uitspraak op het hoger beroep. Pas na dat moment, op 17 mei 2025, vertrok de zoon uit de opvang.
Voor het standpunt van de minister dat verzoekers deze omstandigheid bewust hebben gecreëerd om hun vertrek te frustreren, bestaat onvoldoende feitelijke grondslag. De zoon vertrok al vóór de voorgenomen vrijwillige overdracht. Gelet op het vrijwillige karakter valt niet in te zien waarom verzoekster haar zoon bewust zou laten verdwijnen.
De minister heeft zich onvoldoende rekenschap gegeven van de belangen van de kinderen. De minister heeft geen aandacht besteed aan wat de gevolgen zijn voor de 14-jarige zoon als hij alleen in Nederland achterblijft. Daarnaast heeft de minister zich in het geheel geen rekenschap gegeven van de gevolgen van de gescheiden overdracht voor de 8-jarige dochter.
Gelet op het feit dat de voorzieningenrechter het belang van het kind bij haar oordeel tot uitgangspunt moet nemen, is de situatie zodanig veranderd dat het bezwaar redelijke kans van slagen heeft omdat niet langer van de rechtmatigheid van de voorgenomen feitelijke uitzetting kan worden uitgegaan.
Conclusie en Gevolgen
Uitspraak: Verzoek om voorlopige voorziening toegewezen.
Voorlopige voorziening: De overdracht van verzoekers blijft achterwege tot een week nadat op het bezwaarschrift is beslist.
Gevolg: Verzoekers mogen op 9 juni 2025 niet aan Kroatië worden overgedragen.
Proceskosten: € 907,- (verzoekschrift).
Noten
Relevante wetgeving:
- Artikel 72, derde lid, Vreemdelingenwet 2000 (feitelijke overdracht gelijkgesteld met besluit)
- Artikel 8:81 Awb (voorlopige voorziening)
- Artikel 8:83, vierde lid, Awb (zonder zitting bij onverwijlde spoed)
- Artikel 24, tweede lid, EU-Handvest (belang van het kind)
- Artikel 6, eerste lid, Dublinverordening (belang van het kind)
Relevante jurisprudentie:
- ECLI:NL:RBDHA:2025:5933 – Rb. Den Haag (zp Arnhem), 9 april 2025
- ECLI:NL:RVS:2025:2218 – ABRvS, 15 mei 2025
- ECLI:NL:RVS:2019:837 – ABRvS, 14 maart 2019 (bezwaar tegen feitelijke uitzetting)