13 dagen te late omzetting: geen doorwerking naar opvolgende maatregel
Rb. Den Haag | zp Rotterdam | 13-02-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:3584 | NL26.6107 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 aanhef en onder b Vw 2000) | Beroep ongegrond
Feiten en procesverloop
Nationaliteit eiser: niet vermeld. Eerste maatregel: bewaring op grond van art. 59 lid 1 onder a Vw opgelegd op 21 januari 2026. Op 22 januari 2026 diende eiser een reguliere verblijfsvergunningsaanvraag in. Verweerder zette de maatregel pas op 3 februari 2026 om naar art. 59 lid 1 onder b Vw — 13 dagen te laat. Bij uitspraak van 5 februari 2026 (NL26.3806) was de eerste maatregel al onrechtmatig bevonden voor de periode 22 januari – 3 februari 2026 (met schadevergoeding). Dit beroep betreft de opvolgende tweede maatregel.
Overwegingen rechtbank
- Doorwerking onrechtmatigheid: Bij aansluitende maatregelen op verschillende rechtmatige grondslagen werkt de onrechtmatigheid van de eerste maatregel slechts door als sprake is van een ernstige schending van het recht op vrijheid (ECLI:NL:RVS:2018:2083, ECLI:NL:RVS:2021:885 en ECLI:NL:RVS:2023:2353 — opeenstapeling van ernstige gebreken, omvang gevolgen en eenvoud van voorkoming zijn bepalend).
- Geen ernstige schending: De vertraging van 13 dagen is relatief kort; geen opeenstapeling van gebreken; geen kwade opzet of misleiding. Verweerder heeft in de eerste procedure de onrechtmatigheid erkend en schadevergoeding betaald.
Conclusie en gevolgen
- Oordeel: Beroep ongegrond; schadevergoeding afgewezen.
- Proceskosten: Geen proceskostenveroordeling.
- Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.
Noten
- ECLI:NL:RVS:2018:2083 — ABRvS 12 juni 2018: onrechtmatigheid eerdere maatregel werkt alleen door bij ernstige schending van het fundamentele vrijheidsrecht.
- ECLI:NL:RVS:2023:2353 — ABRvS 16 juni 2023: opeenstapeling van ernstige gebreken, omvang gevolgen en eenvoud van voorkoming zijn bepalend voor doorwerking.
Geef een reactie