Rechtbank Den Haag | Zittingsplaats Arnhem | 02-06-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:9838 | NL25.22483 en NL25.22500 | Vreemdelingenrecht (Bewaring en Terugkeer) | Beroepen ongegrond
Feiten en procesverloop
Nationaliteit: Niet vermeld in de uitspraak; wel is vermeld dat eiser op 22 mei 2025 is uitgezet naar Georgië.
Bestreden besluit 1 (14-05-2025): terugkeerbesluit en inreisverbod.
Bestreden besluit 2 (14-05-2025): maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.
Eiser heeft tegen beide besluiten beroep ingesteld; het beroep tegen de bewaring is tevens opgevat als een verzoek om schadevergoeding.
De bewaring is op 22 mei 2025 opgeheven omdat eiser is uitgezet.
De rechtbank heeft de beroepen op 27 mei 2025 via beeldverbinding ter zitting behandeld.
Overwegingen rechtbank
Omdat de bewaring al was opgeheven, beoordeelt de rechtbank bij bestreden besluit 2 alleen of schadevergoeding moet worden toegekend en dus of de tenuitvoerlegging vóór opheffing onrechtmatig is geweest (artikel 106 Vw 2000).
Eiser stelde dat niet aan de informatieplicht is voldaan (artikel 5.3 Vb 2000), omdat in het dossier aanvankelijk slechts een Nederlandse informatiefolder zat en niet vaststond dat een Russische folder aan hem was uitgereikt.
De rechtbank stelt vast dat de Russische informatiefolder als gedingstuk 41 in het dossier aanwezig is en ziet, mede gelet op het proces-verbaal van gehoor M110 (waarbij uitreiking in het Russisch en bevestiging door eiser wordt vermeld), geen reden om aan te nemen dat de uitreiking niet heeft plaatsgevonden.
De minister heeft aan de bewaring (artikel 5.1b Vb 2000) zware gronden 3a en 3b en lichte gronden 4c, 4d en 4e ten grondslag gelegd, waarbij 4e ter zitting is ingetrokken.
De rechtbank oordeelt dat de zware gronden 3a en 3b in het besluit onvoldoende juist zijn gemotiveerd, omdat uit het dossier (aantreffen bij een inval in een hennepkwekerij) niet volgt dat eiser bij binnenkomst het voornemen had een misdrijf te plegen en dit ook niet uit zijn verklaringen volgt.
“Uit het dossier volgt weliswaar dat eiser is aangetroffen bij een inval in hennepkwekerij, maar daaruit volgt nog niet dat eiser bij binnenkomst het voornemen had om een dergelijk misdrijf te gaan plegen. Dat volgt ook niet uit zijn verklaringen. De motivering zoals die is opgenomen in de maatregel is dus niet juist. De minister heeft op de zitting toegelicht dat uit de verklaringen van eiser wel blijkt dat hij naar Nederland was gekomen om te werken, wat niet is toegestaan in de vrije termijn. Daarom is die vrije termijn ook nooit aangevangen en was eisers binnenkomst al onrechtmatig, zodat hij zich ook had moeten melden bij de korpschef. Verder heeft de minister erop gewezen dat de vrije termijn sowieso op 14 mei 2025 (de datum van de inbewaringstelling) al enkele dagen was verlopen. Dit heeft eiser niet betwist.”
De minister heeft ter zitting een nadere motivering gegeven (onder meer: eiser kwam om te werken, vrije termijn zou daarom niet zijn aangevangen en was bovendien op 14 mei 2025 al verstreken), maar de rechtbank betrekt die niet bij de toetsing van de zware gronden omdat volgens vaste jurisprudentie de motivering in het besluit tot inbewaringstelling moet staan en een zittingsmotivering het besluit niet mag “repareren” (rechtsregel ontleend aan ECLI:NL:RVS:2017:2156).
De rechtbank oordeelt dat de lichte gronden 4c (geen vaste woon- of verblijfplaats; niet ingeschreven in de BRP) en 4d (geen voldoende middelen van bestaan) feitelijk juist zijn en voldoende zijn toegelicht.
De rechtbank neemt daarbij mee dat het door eiser genoemde bedrag van € 1.800,- strafrechtelijk in beslag is genomen en eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij (nog) over voldoende middelen beschikte om zijn terugreis te bekostigen.
De rechtbank merkt op dat het ontbreken van vaste woon- of verblijfplaats en het ontbreken van voldoende middelen van bestaan niet zonder meer leidt tot een risico op onttrekking aan toezicht, en verwijst daarvoor naar jurisprudentie van de Afdeling (rechtsregel ontleend aan ECLI:NL:RVS:2012:BW5677).
De rechtbank stelt daarnaast dat de minister wel mag toelichten waarom de in de maatregel vermelde gronden aanleiding gaven tot bewaring, mits die toelichting geen nieuwe bewaringsgronden bevat, aanhaakt bij de in de maatregel genoemde omstandigheden en wordt betrokken bij de beoordeling van het onttrekkingsrisico (rechtsregel ontleend aan ECLI:NL:RVS:2012:BX0747 en genoemd in lijn met ECLI:NL:RVS:2023:2829).
In dit geval acht de rechtbank het onttrekkingsrisico voldoende onderbouwd in samenhang met (i) de motivering bij lichte grond 4d (o.a. schulden in Georgië, verklaring over illegaal werken, gecreëerde onwettige situatie), (ii) de zittingstoelichting dat de vrije termijn al was verlopen, en (iii) de in de maatregel opgenomen verwijzing bij (de zware grond) 3b dat eiser zijn onrechtmatige verblijf niet bij de korpschef meldde.
De rechtbank ziet ook ambtshalve geen grond om te oordelen dat niet aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor de bewaring is voldaan.
Voor het terugkeerbesluit (bestreden besluit 1) stelt de rechtbank vast dat daarin hetzelfde onttrekkingsrisico met dezelfde gronden is gehanteerd als bij de bewaring, en dat de daartegen aangevoerde beroepsgronden om dezelfde reden falen.
Conclusie en gevolgen
De rechtbank verklaart beide beroepen ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.
De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Rechtsmiddel: voor zover de uitspraak ziet op bestreden besluit 2 (bewaring) staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.
Rechtsmiddel: voor zover de uitspraak ziet op bestreden besluit 1 (terugkeerbesluit) staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking.