Rechtbank Den Haag | Zittingsplaats Groningen | 02-06-2025 | ECLI:NL:RBDHA:2025:9702 | NL25.22836 en NL25.23115 | Vreemdelingenrecht (Bewaring) | Beroepen gegrond
1. Feiten en Procesverloop
Nationaliteit: Egyptische.
Partijen: Eiser (V-nummer: [gepseudonimiseerd]) tegen de minister van Asiel en Migratie; gesteund door gemachtigden mr. S.L. Sarin en mr. A.J. Rossingh.
Eerste maatregel (NL25.22836):
- Maatregel van bewaring opgelegd op 7 april 2025 op grond van artikel 59b, eerste lid, Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).
- Op 21 mei 2025 opgeheven en aansluitend vervangen door een nieuwe maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000.
Tweede maatregel (NL25.23115):
- Nieuwe maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000, opgelegd op 21 mei 2025.
Procesverloop:
- Eiser diende twee beroepsschriften in tegen het voortduren van beide bewaringen.
- Behandeling op 30 mei 2025 via telehoren op zitting; eiser verscheen vanuit detentiecentrum Rotterdam met gemachtigde en tolk.
- Beide beroepsschriften gericht tegen de rechtmatigheid en proportionaliteit van de maatregelen; eiser verzocht om schadevergoeding.
Standpunt eiser:
- Tegen de eerste maatregel: beroep tegen voortduren van de maatregel.
- Tegen de tweede maatregel: a) maatregel te laat omgezet; b) vorige onrechtmatige omzetting werkt door in huidige maatregel; c) huidige maatregel derhalve van begin af onrechtmatig.
2. Overwegingen van de Rechtbank
2.1 Eerste Beroep (NL25.22836): Omzetting niet tijdig
Feitenvaststelling:
- Eiser trok zijn beroep tegen de afwijzende asielbeschikking in op 16 mei 2025.
- Volgens artikel 59b, eerste lid, Vw 2000 moet een maatregel van bewaring omgezet worden naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw 2000 bij wijziging van grondslag.
- De minister erkende dat de omzetting pas op 21 mei 2025 plaatsvond, dus drie dagen te laat.
- Eiser stelde dat omzetting uiterlijk op 18 mei 2025 had moeten plaatsvinden.
Oordeel rechtbank:
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen onbetwist is dat de maatregel van bewaring drie dagen te laat is omgezet. Dit maakt het eerste beroep gegrond.
Rechtsregel: Wanneer de grondslag van een bewaringmaatregel wijzigt, moet deze omzetting plaatsvinden binnen een strikte termijn. Te late omzetting constitueert onrechtmatige voortzetting van de vrijheidsontneming.
2.2 Tweede Beroep (NL25.23115): Doorwerking van vorige onrechtmatigheid
Stelling eiser:
De te late omzetting van de vorige maatregel (drie dagen zonder rechtstitel) vormt een zdusdanig ernstige schending van eisers fundamentele recht op vrijheid dat de onrechtmatigheid moet doorwerken in de beoordeling van de huidige maatregel van bewaring.
Eiser verwees naar uitspraak Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, ECLI:NL:RBDHA:2024:17168 van 22 oktober 2024.
Verweer minister:
De minister betoogde dat geen sprake is van een ernstige schending van fundamentele rechten, omdat:
- De maatregel niet op tijd kon worden omgezet door late melding op vrijdagavond;
- In het weekend geen medewerkers beschikbaar waren.
Oordeel rechtbank:
De rechtbank is van oordeel dat door drie dagen zonder rechtstitel in bewaring te zijn gehouden, een ernstige schending van eisers fundamentele recht op vrijheid heeft plaatsvonden.
Rechtsregel: Een ernstige schending van fundamentele rechten (zoals ongerechtvaardigde vrijheidsontneming) werkt door in de beoordeling van daaropvolgende maatregelen en kan leiden tot onrechtmatigheid van die volgende maatregel, ook als deze formeel rechtgronden heeft.
De rechtbank verwerpt het verweer van de minister omdat:
- Risicotoebinding: Het gegeven dat het weekend geen medewerkers beschikbaar waren, komt voor rekening en risico van de minister.
- Gestelde termijn: De minister krijgt op basis van rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een termijn van twee kalenderdagen gegund om een maatregel bij grondslagwijziging om te zetten.
- Vermijdbaarheid: Gelet op de relatieve eenvoud waarmee de onrechtmatige bewaring na eisers asielaanvraag had kunnen worden voorkomen, acht de rechtbank het voortduren van de maatregel van 21 mei 2025 van begin af onrechtmatig.
3. Rechtmatigheid van de Gronden voor de Tweede Maatregel
Genoemde gronden:
De minister baseerde de maatregel op de volgende gronden:
Zware gronden (artikel 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000):
- 3a: Nederland niet op voorgeschreven wijze is binnengekomen of poging daartoe
- 3b: Zich gedurende enige tijd in strijd met vreemdelingswetgeving aan toezicht heeft onttrokken
- 3c: Eerder een visum/besluit/kennisgeving ontvangen met uitreisplicht en daaraan niet gevolg gegeven
- 3d: Niet meewerkt aan vaststelling van identiteit en nationaliteit
- 3i: Te kennen gegeven geen gevolg te geven aan verplichting tot terugkeer
Lichte gronden (artikel 5.1b Vreemdelingenbesluit 2000):
- 4a: Zich niet aan andere verplichtingen van hoofdstuk 4 gehouden
- 4b: Meerdere aanvragen tot verblijfsvergunning ingediend zonder resultaat
- 4c: Geen vaste woon- of verblijfplaats
- 4d: Niet beschikt over voldoende middelen van bestaan
Oordeel rechtbank:
De rechtbank merkt op dat zij de eerste maatregel reeds eerder has getoetst in uitspraak van 30 april 2025. Gezien de gegrondverklaring van het beroep wegens te late omzetting, behoeven de gronden voor de tweede maatregel geen verdere bespreking.
4. Schadevergoeding
4.1 Eerste Maatregel (NL25.22836): Periode 19-21 mei 2025
Grondslag: Artikel 106 Vw 2000 (schadevergoeding bij onrechtmatige tenuitvoerlegging).
Periode: 19 mei 2025 tot en met 21 mei 2025 (3 dagen).
Bedrag:
- € 15,00 per dag × 100,00 € = € 1.500,00 voor onrechtmatige bewaring.
4.2 Tweede Maatregel (NL25.23115): Periode 19 mei tot 2 juni 2025
Periode: 19 mei 2025 tot en met 2 juni 2025 (16 dagen onrechtmatige tenuitvoerlegging).
Bedrag:
- € 15,00 per dag × 100,00 € voor onrechtmatige bewaring = € 1.500,00.
5. Proceskosten
De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser.
Berekening proceskosten:
- 2 punten voor indiening beroepschriften
- 1 punt voor verschijning ter zitting
- Waarde per punt: € 907,00
- Wegingsfactor: 1
- Totaal: € 2.721,00
Aangezien aan eiser een toevoeging was verleend, betaalt de minister de vergoeding aan de rechtsbijstandverlener.
6. Conclusie en Gevolgen
6.1 Oordeel Rechtbank
Beide beroepen gegrond verklaard.
De rechtbank beveelt:
- Opheffing van de maatregel van bewaring van 21 mei 2025 met ingang van 2 juni 2025.
- Schadevergoeding aan eiser: € 1.500,00 voor de eerste maatregel + € 1.500,00 voor de tweede maatregel = totaal € 3.000,00.
- Vergoeding proceskosten: € 2.721,00, betaald door de minister aan de rechtsbijstandverlener.
6.2 Rechtsmiddel
Voor de maatregel van 7 april 2025 (NL25.22836): Geen rechtsmiddel beschikbaar.
Voor de maatregel van 21 mei 2025 (NL25.23115): Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.