Terugkeerbesluit en inreisverbod – Eerder terugkeerbesluit nog van kracht – ECLI:NL:RBDHA:2025:14300
Rb. Den Haag | Zittingsplaats Middelburg | 31-07-2025 | NL25.26462 | Terugkeerbesluit en inreisverbod | Gedeeltelijk onbevoegd, beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 2 juni 2025 heeft verweerder aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Eiser stelde dat hij een verloofde en kind heeft met een nationaliteit van de Europese Unie en dat daarom moet worden afgezien van het opleggen van een inreisverbod. Uit het gehoor bij bewaring blijkt dat eiser de achternamen van zijn gestelde verloofde en kind niet weet. De rechtbank stelde vast dat aan eiser bij besluit van 26 april 2023 een terugkeerbesluit is opgelegd. Eiser heeft na oplegging van dat besluit de Europese Unie niet verlaten.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit van 26 april 2023 nog van kracht is. Daarmee is de oplegging van het terugkeerbesluit van 2 juni 2025 als zodanig onverplicht en ten overvloede en roept dit terugkeerbesluit geen nieuwe rechtsgevolgen in het leven. Het terugkeerbesluit van 2 juni 2025 is daarom geen besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, zodat de rechtbank onbevoegd is kennis te nemen van het hiertegen ingestelde beroep. Zoals ook is geoordeeld in de uitspraak van de Afdeling van 28 juli 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:2895) volgt hieruit geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van het inreisverbod oordeelde de rechtbank dat op grond van artikel 66a van de Vreemdelingenwet 2000 verweerder een inreisverbod kan opleggen. Eisers stelling dat hij een verloofde en kind heeft met een nationaliteit van de Europese Unie heeft hij op geen enkele wijze onderbouwd. Evenmin heeft eiser onderbouwd dat sprake is van afgeleid verblijfsrecht. De rechtbank stelde tot slot ambtshalve in lijn met het arrest Ararat (ECLI:EU:C:2024:892) vast dat van omstandigheden die maken dat terugkeer van eiser naar Algerije leidt tot schending van het refoulementbeginsel niet is gebleken.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: De rechtbank verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het beroep voor zover dat is gericht tegen het terugkeerbesluit. Het beroep tegen het inreisverbod is ongegrond.
- Gevolgen: Het inreisverbod van twee jaar blijft van kracht.
- Proceskosten: Geen proceskostenveroordeling.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14300
- ECLI:NL:RVS:2023:2895
- ECLI:NL:RVS:2018:2263
- ECLI:EU:C:2024:892 (Ararat)
- Artikel 1:3 Awb
- Artikel 66a Vreemdelingenwet 2000