Bewaring – Voortduring tijdens asielverzoek voorlopige voorziening – ECLI:NL:RBDHA:2025:13475
Rb. Den Haag | Zittingsplaats Groningen | 18-07-2025 | NL25.29877 | Bewaring | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Marokkaanse nationaliteit, heeft op 23 mei 2025 de maatregel van bewaring opgelegd gekregen op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000. Eisers asielaanvraag werd op 25 juni 2025 afgewezen. Eiser heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend tegen dit besluit, welk verzoek gepland staat voor behandeling op 6 oktober 2025 tezamen met het beroep. De rechtbank toetste de voortduring van de bewaring tijdens de zitting van 18 juli 2025.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank oordeelde dat de bewaring rechtmatig mag voortduren tot maximaal 25 september 2025. De grondslag hiervoor is dat eisers verzoek om voorlopige voorziening tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag in Nederland mag worden afgewacht, wat rechtmatig verblijf oplevert op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. De rechtbank stelde vast dat de minister voortvarend heeft gehandeld door driemaal om voorrang te verzoeken bij zittingsplaats Amsterdam. De behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening staat gepland voor 6 oktober 2025, waardoor de maximale bewaringstermijn van vier maanden (tot 25 september 2025) niet wordt overschreden.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: De maatregel van bewaring mag voortduren tot maximaal 25 september 2025.
- Proceskosten: Geen vergoeding.
- Rechtsmiddel: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Noten