Bewaring – Asielaanvraag ter frustratie terugkeerprocedure – ECLI:NL:RBDHA:2025:12764
Rb. Den Haag | Zittingsplaats Roermond | 15-07-2025 | NL25.30223 | Bewaring | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Turkse nationaliteit, geboren in 1991, diende op 2 juli 2025 een asielaanvraag in nadat verweerder op 1 juli 2025 had medegedeeld dat feitelijke uitzetting op 8 juli 2025 zou plaatsvinden. Bij besluit van 4 juli 2025 legde verweerder de bewaringsmaatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b en c, van de Vreemdelingenwet 2000 op. De Afdeling bestuursrechtspraak trof op 4 juli 2025 een voorlopige voorziening (ECLI:NL:RVS:2025:3031). Eiser trok zijn asielaanvraag op 10 juli 2025 in, waarna verweerder dezelfde dag de bewaring ophief.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank stelde vast dat de bewaring rechtmatig was opgelegd en gehouden omdat aan de voorwaarden van artikel 59b Vw was voldaan. Het onttrekkingsrisico was deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank oordeelde dat eiser de asielaanvraag kennelijk louter had ingediend om de terugkeerprocedure te frustreren, gezien de timing direct na de aankondiging van de feitelijke uitzetting.
De rechtbank overwoog dat een door de Afdeling bestuursrechtspraak getroffen voorlopige voorziening van 4 juli 2025 geen rechtmatig verblijf oplevert en dat verweerder terecht de bewaring ophief nadat de asielaanvraag werd ingetrokken.
“de toegewezen vovo staat niet in de weg aan een maatregel gedurende de asielaanvraag, verweerder heeft de maatregel terecht pas opgeheven nadat eiser zijn (herhaalde) asielaanvraag heeft ingetrokken – anders dan partijen menen, ontstaat geen rechtmatig verblijf door de door de Afdeling getroffen voorlopige voorziening – In artikel 8 Vw is bepaald dat de vreemdeling uitsluitend rechtmatig verblijf heeft in de onder a. tot en met m. genoemde situaties. De rechtbank overweegt dat de bewoordingen van deze bepalingen niet zien op de fase waarin de vreemdeling in afwachting is van een uitspraak op hoger beroep of waarin op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het hoger beroepschrift is beslist. Ook ontstaat gedurende deze fase geen rechtmatig verblijf ‘krachtens de wet’.”
De rechtbank merkte op dat de Afdeling nog moet beoordelen of artikel 3 EVRM zich verzet tegen de verwijdering naar Turkije, zodat verweerder nog niet tot de feitelijke verwijdering kan overgaan.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: De bewaring was rechtmatig tot aan de opheffing op 10 juli 2025.
- Proceskosten: Geen vergoeding.
Noten