Uiteindelijk meewerken IOM geen reden lichter middel

Bewaring – Lichter middel – ECLI:NL:RBDHA:2025:15193

Rb. Den Haag | Zittingsplaats Rotterdam | 25-07-2025 | NL25.31821 | Bewaring | Beroep ongegrond

Feiten en Procesverloop

Bij besluit van 10 juli 2025 heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd. Verweerder hief de maatregel op 22 juli 2025 op. Eiser betoogde dat verweerder onvoldoende had gemotiveerd waarom niet met een lichter middel (dagelijkse meldplicht) kon worden volstaan. Eiser stelde dat hij tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling had verklaard zo spoedig mogelijk uit Nederland te willen vertrekken, en dat hij tijdens het vertrekgesprek van 14 juli 2025 had aangegeven geen bezwaar te hebben tegen zijn terugkeer naar Oezbekistan. Eiser was in het bezit van een geldig paspoort en beschikte over 500 euro. Eiser is inmiddels met behulp van IOM naar Oezbekistan teruggekeerd. Eiser verwees naar het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 2 oktober 2008, zaak nr. 34082/02 (Rusu tegen Oostenrijk).

Overwegingen Rechtbank

De rechtbank oordeelde dat verweerder zich voldoende gemotiveerd op het standpunt stelt dat niet met een lichter middel kon worden volstaan. Verweerder wijst terecht op de niet bestreden gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. De stelling van eiser dat hij in het bezit is van een geldig paspoort en over 500 euro beschikt, is gelet op het onttrekkingsrisico onvoldoende om te concluderen dat verweerder met een lichter middel had moeten volstaan. Dat eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling heeft verklaard zo spoedig mogelijk uit Nederland te willen vertrekken en dit ook is gebeurd, neemt het onttrekkingsrisico niet dusdanig weg. Verweerder stelde terecht dat eiser nu weliswaar met IOM is vertrokken, maar pas op het moment dat de enige andere optie gedwongen uitzetting was. De rechtbank overwoog tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
  • Gevolgen: De maatregel van bewaring was rechtmatig.
  • Proceskosten: Geen vergoeding.

Noten


Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder