Bewaring – Zicht op uitzetting Gambia – ECLI:NL:RBDHA:2025:15013
Rb. Den Haag | 28-07-2025 | NL25.28535 | Bewaring | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Gambiaanse nationaliteit, heeft op 30 mei 2025 de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd gekregen. Verweerder vermeldde als zware gronden op grond van artikel 5.1b Vreemdelingenbesluit: niet op voorgeschreven wijze binnengekomen (3a), zich aan toezicht onttrokken (3b), niet voldaan aan vertrekplicht (3c), niet meegewerkt aan identiteitsvaststelling (3d), en te kennen gegeven geen gevolg te geven aan terugkeerplicht (3i). Als lichte gronden: geen vaste woon- of verblijfplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Verweerder voerde op 16 juni 2025 een vertrekgesprek en rappelleerde op 12 juni 2025 en 4 juli 2025 schriftelijk bij de Gambiaanse autoriteiten voor de laissez-passer-aanvraag.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank oordeelde dat zicht op uitzetting naar Gambia niet ontbreekt. Eiser heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan geconcludeerd moet worden dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Het enkele feit dat eiser inmiddels vier maanden in bewaring zit is daartoe onvoldoende. Hoewel uit de door verweerder ter zitting overgelegde cijfers blijkt dat de aantallen uitzettingen naar Gambia beperkt zijn, blijkt daaruit ook dat uitzettingen wel plaatsvinden. Ook is niet gebleken van enige poging van eiser om zijn nationaliteit aan te tonen, terwijl het aan hem is om actief en volledig mee te werken aan zijn uitzetting.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: De maatregel van bewaring was rechtmatig.
- Proceskosten: Geen vergoeding.
Noten