Herzieningsverzoek – Uitspraak na opheffing bewaring – ECLI:NL:RBDHA:2025:12732
Rb. Den Haag | zp Roermond | 16-07-2025 | NL25.28934 | Herzieningsverzoek | Afgewezen
Feiten en Procesverloop
Verzoeker stelde op 9 juli 2025 een herzieningsverzoek in tegen de uitspraak van 8 juli 2025 waarin de rechtbank het vervolgberoep tegen de bewaringsmaatregel van 25 april 2025 ongegrond had verklaard. De bewaringsmaatregel was op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd en op 3 juli 2025 opgeheven. Verzoeker baseerde zijn herzieningsverzoek op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 juli 2025 in de voorlopige voorzieningsprocedure. Verzoeker erkende in zijn gronden zelf dat het herzieningsverzoek wellicht niet zou slagen omdat de uitspraak van de Afdeling na de opheffing van de maatregel plaatsvond.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank oordeelde dat het herzieningsverzoek geen kans van slagen had. Op grond van artikel 8:119, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan herziening alleen plaatsvinden op basis van aangelegenheden van feitelijke aard die niet eerder bekend waren. De rechtbank stelde vast dat:
“Weliswaar heeft de Afdeling een voorlopige voorziening getroffen voordat de rechtbank in de procedure waar het verzoek op ziet het onderzoek heeft gesloten en uitspraak heeft gedaan. In de uitspraak is evenwel, zoals hiervoor overwogen, de rechtmatigheid van de bewaringsmaatregel tot aan de opheffing van de maatregel op 3 juli 2025 beoordeeld. De op 4 juli 2025 getroffen voorlopige voorziening kan dus nimmer de rechtmatigheid van de reeds eerder opgeheven maatregel regarderen.”
De rechtbank merkte op dat verzoeker dit zelf al had onderkend. Bovendien trok verzoeker een ander beroep (waarin verweerder de onrechtmatigheid had erkend en volledige schadevergoeding had aangeboden) de avond voor de zitting alsnog in, waarmee zittingscapaciteit verloren ging.
De rechtbank gaf de gemachtigde uitdrukkelijk mee:
“De rechtbank geeft gemachtigde van eiser uitdrukkelijk mee om beroepen en verzoeken waarvan de wederpartij reeds aangeeft dat ze slagen of waarvan eiser zelf onderkent dat ze geen kans van slagen hebben, niet in te stellen, dan wel niet te handhaven en indien ze worden ingetrokken, dit dan op een zodanige dag en tijd te doen dat niet onnodig beslag wordt gelegd op de tijd van de wederpartij en van de rechtbank en ook geen zittingscapaciteit verloren gaat.”
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen.
- Gevolgen: De uitspraak van 8 juli 2025 blijft in stand.
- Proceskosten: Geen vergoeding.
- Opmerking: De rechtbank bekritiseert de werkwijze van verzoeker en zijn gemachtigde uitdrukkelijk vanwege verspilling van beperkte zittingscapaciteit.
Noten