Bewaring – Overdracht naar Frankrijk prevaleerde boven zitting – ECLI:NL:RBDHA:2025:14493
Rb. Den Haag | zp Utrecht | 14-07-2025 | NL25.29147
| Bewaring | Beroep ongegrond
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 2 juli 2025 heeft de Minister van Asiel en Migratie aan eiser, van Afghaanse nationaliteit, de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a van de Vreemdelingenwet 2000 opgelegd. De gronden voor bewaring waren onder meer onrechtmatige binnenkomst, ontwijking van toezicht, niet-medewerking aan overdracht naar Frankrijk onder de Dublinverordening en het ontbreken van een vaste verblijfplaats. De minister hief de maatregel op 11 juli 2025 op en droeg eiser over naar Frankrijk. Op 3 juli 2025 kondigde de minister de overdracht aan.
Overwegingen Rechtbank
Eiser betoogde dat zijn afwezigheid ter zitting een ernstige inbreuk op zijn recht vormde. De rechtbank oordeelde dat de concrete mogelijkheid tot overdracht prevaleerde boven het horen ter zitting. De rechtbank stelde vast dat de minister voldoende voortvarend had gehandeld door de overdracht op 11 juli 2025 aan te kondigen op 3 juli 2025. De rechtbank overwoog dat eiser zijn recht ter zitting aanwezig te zijn niet tijdig had geldend gemaakt en dat de feitelijke overdracht voorrang had op de procedurele rechten in deze situatie. Op grond van artikel 106 van de Vreemdelingenwet 2000 kon de rechtbank schadevergoeding toekennen indien de bewaring onrechtmatig was, maar hiervan was geen sprake.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: De maatregel van bewaring was rechtmatig en eiser werd overgedragen aan Frankrijk.
- Schadevergoeding: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Proceskosten: Geen vergoeding.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2025:14493
- Artikel 59a Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 106 Vreemdelingenwet 2000
- Dublinverordening (EU) nr. 604/2013