Bewaring – Procedureel gebrek artikel 10:10 Awb gepasseerd – ECLI:NL:RBDHA:2025:13737
Rb. Den Haag | zp Den Bosch | 14-07-2025 | 25.30069 en 25.30119 | Bewaring | Beroepen ongegrond, proceskosten toegewezen
Feiten en Procesverloop
Bij besluit van 5 juli 2025 heeft de Minister van Asiel en Migratie aan eiser, van Oezbeekse nationaliteit, twee besluiten opgelegd: een terugkeerbesluit met inreisverbod voor twee jaar en een maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser was op 4 juli 2025 om 19:42 uur strafrechtelijk aangehouden voor overtreding van artikel 2 van de Wet op de identificatieplicht en artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank stelde vast dat de maatregel van bewaring een gebrek bevatte omdat niet was vermeld namens welk bestuursorgaan het besluit was genomen, in strijd met artikel 10:10 van de Algemene wet bestuursrecht. “De rechtbank stelt met eiser vast dat in de maatregel van bewaring inderdaad niet is vermeld dat de ambtenaar de maatregel heeft opgelegd namens de Minister van Asiel en Migratie.” (NB: onder maatregelen staat standaard voorafgaand aan de ondertekening: ‘de Minister van Asiel en Migratie, namens deze’ – kennelijk was deze zin weggevallen). De rechtbank passeerde dit gebrek echter op grond van artikel 6:22 Awb omdat eiser niet was benadeeld door dit formele verzuim.
De vreemdeling toonde bij een grootschalige verkeerscontrole een Oezbeeks paspoort met verlopen visa. Na overleg met de AVIM is betrokkene op basis van 447e strafrechtelijk aangehouden. Ten aanzien van de strafrechtelijke aanhouding overwoog de rechtbank:
“Uit de in het proces-verbaal vastgelegde omstandigheden blijkt naar het oordeel van de rechtbank voldoende duidelijk dat de staandehouding (en de daarop volgende aanhouding) van eiser heeft plaatsgevonden in verband met verdenking van het overtreden van artikel 2 van de Wet of de identificatieplicht en artikel 447e van het Wetboek van Strafrecht en niet in het kader van de uitoefenen van het vreemdelingentoezicht (de bevoegdheid zoals neergelegd in artikel 50, eerste lid, van de Vw 2000).”
De rechtbank oordeelde dat geen sprake was van een verkapte vreemdelingrechtelijke staandehouding.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beide beroepen zijn ongegrond.
- Gevolgen: Het terugkeerbesluit, inreisverbod en de maatregel van bewaring blijven rechtmatig.
- Schadevergoeding: Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.
- Proceskosten: De rechtbank veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser ter hoogte van 1.814 euro (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting) vanwege het procedurele gebrek.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2025:13737
- Artikel 59 Vreemdelingenwet 2000
- Artikel 10:10 Awb
- Artikel 6:22 Awb
- Artikel 2 Wet op de identificatieplicht
- Artikel 447e Wetboek van Strafrecht