Bewaring – Voortvarend handelen Vietnam – ECLI:NL:RBDHA:2025:14319
Rb. Den Haag (zp Rotterdam) | 09-07-2025 | NL25.28024 | Bewaring | Beroep ongegrond | ECLI:NL:RBDHA:2025:14319
Feiten en Procesverloop
Verweerder heeft op 4 april 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van Vreemdelingenwet 2000, artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort. Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 28 mei 2025 (in de zaak NL25.21623) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 21 mei 2025.
Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat de Dienst Internationale Aangelegenheden (DIA) op 17 april 2025 heeft besloten geen laissez-passer (lp) aan te vragen bij de Vietnamese autoriteiten, omdat een eerdere aanvraag geen resultaat had opgeleverd. Sindsdien hebben er slechts vertrekgesprekken met eiser plaatsgevonden, maar is er geen poging gedaan tot presentatie bij de Vietnamese autoriteiten, noch is er een nieuwe lp-aanvraag ingediend, terwijl er inmiddels al geruime tijd is verstreken sinds de laatste poging. Eiser kan geen identificerende gegevens verstrekken, omdat hij daarover niet beschikt.
Overwegingen Rechtbank
De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt. Uit de voortgangsrapportage van 25 juni 2025 blijkt dat de DIA geen (nieuwe) lp-aanvraag heeft ingediend bij de Vietnamese autoriteiten, omdat deze in 2023 hebben aangegeven de nationaliteit van eiser niet te kunnen bevestigen zonder nadere informatie. In plaats daarvan voert verweerder vaker vertrekgesprekken met eiser om aanvullende gegevens te verkrijgen. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat verweerder op 22 mei, 6 juni en 23 juni 2025 vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd.
Naar het oordeel van de rechtbank werkt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser, aangezien de vertrekgesprekken als concrete stappen in het uitzettingsproces kunnen worden aangemerkt. Dat op 17 april 2025 is besloten geen nieuwe lp-aanvraag in te dienen, betekent niet dat verweerder niet voortvarend handelt. De rechtbank is bovendien van oordeel dat eiser kennis heeft kunnen nemen van de informatie die van hem verlangd wordt – bijvoorbeeld zijn familienaam of plaats van verblijf in Vietnam – en dat hij, door deze informatie niet te verstrekken, niet voldoet aan zijn verplichting om identiteit en nationaliteit vast te (helpen) stellen. Dat eiser geen identiteitsdocumenten bezit doet daar niet aan af.
De rechtbank merkt op dat het (vaker dan gebruikelijk) voeren van vertrekgesprekken weliswaar op dit moment voldoende voortvarend is, maar dat het, naar gelang de duur van de inbewaringstelling toeneemt, mogelijkerwijs in de toekomst op de weg van verweerder ligt om aanvullende vertrekhandelingen te verrichten. Zo kan verweerder overwegen om eiser aan de Vietnamese autoriteiten te presenteren, of andere inspanningen te verrichten om de uitzetting te bevorderen.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is ongegrond.
- Gevolgen: De maatregel van bewaring blijft in stand. Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
- Proceskosten: Geen proceskostenveroordeling.
Noten