Adrar: Non-refoulement-beoordeling ontbreekt, geen belangenafweging mogelijk

Non-refoulementbeoordeling ontbreekt in bewaringsbesluit: gegrond

Rb. Den Haag | zp Haarlem | 23-02-2026 | ECLI:NL:RBDHA:2026:4189 | NL26.8387 | Vreemdelingenrecht (art. 59 lid 1 sub a Vw 2000) | Beroep gegrond

Feiten en procesverloop

Eiseres (Braziliaanse nationaliteit, geb. 1997) werd op 13 februari 2026 opgehouden op grond van artikel 50 lid 3 Vw; dezelfde dag opgelegd: bewaring op grond van artikel 59 lid 1 sub a Vw ter voorbereiding van de verwijdering. Eiseres had eerder een terugkeerverplichting gekregen waaraan zij niet had voldaan.

Bewaringsgronden:

  • Zware gronden (art. 5.1b lid 3 Vb): 3b (onttrekking aan het toezicht), 3c (niet-naleving terugkeerverplichting)
  • Lichte gronden (art. 5.1b lid 4 Vb): 4c (geen vaste woon- of verblijfplaats), 4d (onvoldoende middelen van bestaan), 4e (verdenking of veroordeling wegens misdrijf)

Eiseres bestreed de gronden niet, maar voerde aan dat bij oplegging geen zicht op uitzetting bestond: verweerder had nagelaten — in strijd met het Adrar-arrest — te beoordelen of het non-refoulementbeginsel zich verzet tegen haar uitzetting.

Overwegingen rechtbank

  • Bewaringsgronden: Niet bestreden; ook ambtshalve toetsend geen aanleiding voor het oordeel dat de gronden de maatregel niet kunnen dragen.
  • Non-refoulement: Verweerder bevestigde ter zitting dat in het bewaringsbesluit geen non-refoulementbeoordeling is opgenomen. De rechtbank verwierp verweerders betoog dat dit gebrek door een belangenafweging kon worden gepasseerd. Onder verwijzing naar ECLI:NL:RVS:2026:329 — als de minister het non-refoulement-standpunt niet of niet deugdelijk motiveert, is opheffing verplicht zonder ruimte voor een nadere belangenafweging — was de rechtbank gehouden het beroep gegrond te verklaren. De uitspraak van 19 februari 2026 waarnaar verweerder verwees, werd terzijde gelaten omdat daarin de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2026 niet kenbaar was betrokken.

Conclusie en gevolgen

  • Uitspraak: Beroep gegrond; maatregel opgeheven met ingang van 23 februari 2026.
  • Schadevergoeding: EUR 1.360,– (1 dag politiecel × EUR 160 + 10 dagen DTC × EUR 120).
  • Proceskosten: EUR 1.868,–.
  • Rechtsmiddel: Hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  • ECLI:NL:RVS:2026:329 — ABRvS 12 februari 2026: als de minister het non-refoulement-standpunt in het bewaringsbesluit niet of niet deugdelijk motiveert, moet de bewaringsrechter het beroep gegrond verklaren en de bewaring onmiddellijk opheffen; geen ruimte voor een nadere belangenafweging.
  • ECLI:EU:C:2025:647 — HvJEU 4 september 2025 (Adrar): de bewaringsautoriteit is verplicht om bij oplegging van een bewaringsmaatregel ambtshalve te beoordelen of het non-refoulement-beginsel zich verzet tegen de uitzetting van de vreemdeling.
  • ECLI:EU:C:2022:858 — HvJEU 8 november 2022 (C, B en X): zicht op uitzetting is een algemene en abstracte vereiste voor de rechtmatigheid van een bewaringsmaatregel; ontbreekt dit zicht, dan moet de vreemdeling onmiddellijk worden vrijgelaten.
  • ECLI:NL:RVS:2023:2829 — ABRvS 26 juli 2023: nadere uitwerking van de onmiddellijke vrijlatingsverplichting bij het ontbreken van zicht op uitzetting als bedoeld in HvJEU C, B en X.

Geef een reactie

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder