. Bewaring – Onvoldoende voortvarend DV&O – ECLI:NL:RBDHA:2025:12603
Rb. Den Haag (zp Middelburg) | 09-07-2025 | NL25.29114 | Bewaring | Beroep gegrond | ECLI:NL:RBDHA:2025:12603
Feiten en Procesverloop
Eiser, van Syrische nationaliteit (geboren in 2003), is op 30 juni 2025 in bewaring gesteld op grond van Vreemdelingenwet 2000, artikel 59a, eerste lid. Op 2 juli 2025 heeft verweerder een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Tijdens dit vertrekgesprek is aan eiser medegedeeld dat hij op 4 juli 2025 zal worden overgedragen aan de Duitse autoriteiten in het kader van de Dublinverordening (EU) nr. 604/2013. De overdracht zou over land plaatsvinden.
Op 4 juli 2025 is de overdracht van eiser aan de Duitse autoriteiten niet doorgegaan. DV&O is vergeten eiser op te halen om overgedragen te worden. Op dezelfde dag zijn de Duitse autoriteiten geïnformeerd over een nieuwe overdracht van eiser. Deze overdracht staat gepland op 10 juli 2025 en zal eveneens over land plaatsvinden.
Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt. Dat de overdracht op 4 juli 2025 niet is doorgegaan, is niet aan eiser toe te rekenen. Eiser werkt mee en wil zo spoedig mogelijk worden overgedragen aan Duitsland.
Overwegingen Rechtbank
Op grond van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening duurt de bewaring zo kort mogelijk en niet langer dan de tijd die redelijkerwijs nodig is om de vereiste administratieve procedures zorgvuldig af te ronden totdat de overdracht uit hoofde van deze verordening is uitgevoerd.
Niet in geschil is dat DV&O is vergeten eiser op te halen op 4 juli 2025, zodat het aan verweerder is toe te rekenen dat de overdracht op die datum niet is doorgegaan. Het is de rechtbank verder niet gebleken waarom de overdracht van eiser niet eerder, dan de nu gepland overdracht van 10 juli 2025, kan plaatsvinden. Hierbij acht de rechtbank van belang dat uit de stukken in het dossier blijkt dat eiser sinds de oplegging van de maatregel van bewaring meewerkt aan zijn overdracht. Op zitting heeft hij dit nogmaals bevestigd. Verder betrekt de rechtbank de feitelijke situatie van de overdracht bij dit oordeel. Eiser wordt per auto getransporteerd naar de grens.
Het standpunt van verweerder dat eiser eerder heeft verklaard niet naar Duitsland te willen gaan en eerder met onbekende bestemming is vertrokken, leidt, gelet op het voorgaande, niet tot een ander oordeel. Hierbij acht de rechtbank nog van belang te benadrukken dat elke bewaring een ernstige inmenging vormt op het recht op vrijheid. Verweerder is gehouden om de bewaring zo kort mogelijk te houden en niet langer dan nodig is.
Gelet op het voorgaande handelt verweerder onvoldoende voortvarend aan eisers overdracht aan Duitsland. Om die reden is het beroep gegrond en de maatregel van bewaring met ingang van 4 juli 2025 onrechtmatig.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Het beroep is gegrond.
- Gevolgen: De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 9 juli 2025.
- Schadevergoeding: Eiser ontvangt een schadevergoeding van € 600 voor 6 dagen onrechtmatige vrijheidsontneming (6 x € 100 voor verblijf detentiecentrum).
- Proceskosten: Verweerder is veroordeeld in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814 (1 punt beroepschrift, 1 punt zitting).
Noten
Vreemdelingenwet 2000, artikel 59a
Vreemdelingenwet 2000, artikel 106
Dublinverordening (EU) nr. 604/2013, artikel 28