HB: Grensdetentie maximaal 13 weken

Bewaring – Maximale duur grensdetentie – ECLI:NL:RVS:2025:2925

Raad van State | 01-07-2025 | 202501183/1/V3 | Hoger beroep | Gegrond | ECLI:NL:RVS:2025:2925

Feiten en Procesverloop

Bij besluit van 18 januari 2025 heeft de minister betrokkene een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van Vreemdelingenwet 2000, artikel 6, derde lid (grensdetentie). Betrokkene is op 18 januari 2025 vanuit Dubai op Schiphol aangekomen en heeft daar asiel aangevraagd. De minister heeft hem vervolgens in grensdetentie geplaatst in het Justitieel Complex Schiphol (JCS).

Bij mondelinge uitspraak van 11 februari 2025 heeft de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, de opheffing van de vrijheidsontnemende maatregel met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend. De rechtbank oordeelde dat de grensdetentie onrechtmatig was door de detentieomstandigheden in het JCS en omdat de grensdetentie te lang zou voortduren in strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn.

De rechtbank heeft overwogen dat het haar, om organisatorische redenen die niet aan partijen te wijten zijn, niet is gelukt de asielzaak van betrokkene eerder op een zitting te plannen dan 29 april 2025 en dat het niet aannemelijk is dat deze zitting eerder kan plaatsvinden. Op die dag zou betrokkene ruim veertien weken in grensdetentie verblijven. Naar het oordeel van de rechtbank was de grensdetentie daarom niet meer evenredig en daarom onrechtmatig op 11 februari 2025.

De minister heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak.

Overwegingen Raad van State

De Afdeling geeft de Minister gelijk met betrekking tot grief 1. De rechtbank oordeelde ten onrechte dat het JCS geen gespecialiseerde bewaringsaccommodatie is in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. De Afdeling verwijst naar haar uitspraken van 29 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:258) en 26 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:789). De grief slaagt.

Ten aanzien van grief 2, over de duur van de grensdetentie, overweegt de Afdeling dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 zo kort mogelijk moet duren. De Afdeling benadrukt dat niet iedere langere duur van grensdetentie per definitie strijd oplevert met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn. Maar dit neemt niet weg dat artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn, dat de grondrechten van vreemdelingen beoogt te waarborgen, vereist dat de grensdetentie zo kort mogelijk duurt.

De Afdeling legt artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn zo uit dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. De Afdeling put hierbij inspiratie uit Unierechtelijke regelgeving die in werking is getreden op 11 juni 2024, maar pas van toepassing wordt op 12 juni 2026. Uit artikel 11, eerste lid, van Richtlijn (EU) 2024/1346 (de hernieuwde Opvangrichtlijn) volgt dat grensdetentie zo kort mogelijk moet duren. Uit artikel 5, eerste en tweede lid, van Verordening (EU) 2024/1356 (de Screeningverordening) volgt dat de screening niet langer mag duren dan zeven dagen. Uit artikel 51, tweede lid, van Verordening (EU) 2024/1348 (de Procedureverordening) volgt dat de grensprocedure moet worden voltooid binnen twaalf weken nadat het verzoek van een vreemdeling is geregistreerd.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het voortduren van de grensdetentie onrechtmatig was, omdat zij het asielberoep niet eerder dan 29 april 2025 kon plannen op een zitting. Dat was ruim veertien weken nadat betrokkene in grensdetentie was geplaatst. Hieruit volgt dat de minister betrokkene voordat de rechtbank over het asielberoep heeft kunnen oordelen toegang zal moeten verlenen tot Nederland. De Afdeling overweegt dat het langer in grensdetentie houden van betrokkene daarom geen enkel doel meer dient. Gelet daarop heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de grensdetentie op het moment dat zij uitspraak deed al niet meer evenredig was.

Anders dan betrokkene in beroep heeft betoogd, treedt de onrechtmatigheid van de grensdetentie wegens strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn niet in op het tijdstip dat de minister bekend wordt met de datum van de zitting in de asielzaak. De minister kan verzoeken de zaak eerder op een zitting te behandelen, wat zij ook heeft gedaan. Het is aan de rechtbank om de eventuele onrechtmatigheid van de grensdetentie en de ingangsdatum van deze onrechtmatigheid vast te stellen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de grensdetentie wegens strijd met artikel 9, eerste lid, van de Opvangrichtlijn onrechtmatig was vanaf de dag dat zij uitspraak deed.

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd, voor zover de rechtbank de schadevergoeding op grond van de tenuitvoerlegging van de grensdetentie in het JCS heeft vastgesteld op € 2.500. De uitspraak wordt voor het overige bevestigd.
  • Gevolgen: Betrokkene heeft recht op een schadevergoeding van € 100 voor de dag dat hij onrechtmatig in grensdetentie is gehouden (11 februari 2025).
  • Proceskosten: De minister hoeft in hoger beroep geen proceskosten te vergoeden.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder