Grensdetentie – Uganda – Grensprocedure niet meer passend na nader gehoor — ECLI:NL:RBDHA:2025:19439
Rb. Den Haag, zp Amsterdam | 05-08-2025 | NL25.33867 | Grensdetentie art. 6, derde lid, Vw – onrechtmatig na nader gehoor | Beroep gegrond
Feiten en Procesverloop
Eiser stelt van Ugandese nationaliteit te zijn, geboren in 1992. Op 7 juli 2025 is aan hem een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd op grond van art. 6, derde lid, Vw. Eiser arriveerde op Schiphol en verbleef één nacht in de lounge op grond van art. 4.6 Vb. Op 20 juli 2025 vond het nader gehoor plaats. Op 20 juli 2025 deed de minister een voornemen de asielaanvraag als kennelijk ongegrond af te wijzen (art. 30b, eerste lid, sub e, Vw). Op 24 juli 2025 heeft eiser een zienswijze ingediend. Na de zienswijze besloot de minister dat de zaak zich niet langer leent voor de grensprocedure en is op 25 juli 2025 de bewaring opgeheven; de asielaanvraag is afgewezen zónder toepassing van art. 30, 30a of 30b Vw. Mondelinge uitspraak op zitting van 5 augustus 2025.
Overwegingen Rechtbank
- Verblijf in de lounge voor één nacht: rechtmatig. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 20 december 2018 geoordeeld dat verblijf in de lounge op grond van art. 4.6 Vb acceptabel is voor ten hoogste één nacht.
- Lichter middel: de minister hoeft bij grensdetentie een lichter middel uitsluitend onder bijzondere omstandigheden te overwegen; de gestelde vragen waren afdoende.
- Onrechtmatigheid grensdetentie: Na het nader gehoor op 20 juli 2025 zijn geen nieuwe feiten of omstandigheden aan het licht gekomen die de aanvraag alsnog kennelijk ongegrond zouden maken. De zienswijze bevatte op zichzelf ook geen nieuwe feiten — de minister erkende dit ter zitting. De minister heeft een eigen verantwoordelijkheid om zorgvuldig naar de afdoeningswijze te kijken (art. 3.109b, eerste lid, Vb). De minister heeft na het nader gehoor één dag de tijd om te beslissen of de zaak zich nog leent voor de grensprocedure. Vanaf 20 juli 2025 was de grensdetentie dus niet langer rechtmatig.
- Afwijking Afdelingsjurisprudentie: De bewaringsrechter buigt zich in beginsel niet inhoudelijk over de asielprocedure. In deze specifieke situatie staat echter voor eiser geen effectieve rechtsbescherming via de asielprocedure open (de asielaanvraag is immers niet als kennelijk ongegrond afgedaan), zodat de bewaringsrechter wél inhoudelijk toetst.
Conclusie en Gevolgen
- Uitspraak: Beroep gegrond; grensdetentie onrechtmatig vanaf 20 juli 2025.
- Schadevergoeding: €500 (6 dagen onrechtmatig; 5 × €100 detentiecentrum, zoals vastgesteld in de uitspraak).
- Proceskosten: €1.814 (te betalen aan rechtsbijstandverlener wegens toevoeging).
- Rechtsmiddel: Hoger beroep bij ABRvS binnen één week.
Noten