Verkorting TKB tijdens lopend TKB: rechter eist uitdrukkelijke motivering

Terugkeerbesluit – Tunesië – Onvoldoende motivering verkorting vertrektermijn – Bewaring — ECLI:NL:RBDHA:2025:19472

Rb. Den Haag, zp Amsterdam | 14-08-2025 | NL25.36382 en NL25.36318 | Terugkeerbesluit + bewaring art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw – onvoldoende motivering verkorting vertrektermijn | Beroepen gegrond

Feiten en Procesverloop

Eiser stelt van Tunesische nationaliteit te zijn, geboren in 1992. Op 12 juli 2025 heeft de minister eiser een terugkeerbesluit en inreisverbod opgelegd met een vertrektermijn van 28 dagen (verlopend op 10 augustus 2025). Op 24 juli 2025 is eiser strafrechtelijk aangehouden; hij is vastgehouden tot 5 augustus 2025, toen hij werd overgedragen aan de vreemdelingenpolitie. Op diezelfde dag heeft de minister een nieuw terugkeerbesluit en inreisverbod uitgevaardigd met onmiddellijke vertrekplicht, en heeft hij eiser in bewaring gesteld op grond van art. 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw. Zitting 12 augustus 2025. De rechtbank heeft de bewaring ter zitting opgeheven.

Eiser betoogt dat het nieuwe terugkeerbesluit onvoldoende gemotiveerd is: de minister heeft niet uitgelegd waarom de op 12 juli 2025 verleende termijn van 28 dagen (die pas op 10 augustus 2025 zou verstrijken) werd ingekort, en heeft ook niet ingegaan op het bestaande terugkeerbesluit. Het nieuwe besluit bevat zelfs minder gronden dan het eerdere (de verdenking van een misdrijf/gevaar openbare orde is in het nieuwe besluit niet meer tegengeworpen).

Overwegingen Rechtbank

  1. De minister is bevoegd een nieuw terugkeerbesluit te nemen met onmiddellijke vertrekplicht als er een onttrekkingsrisico bestaat (art. 62, tweede lid, Vw), en hij mag een eerder verleende termijn verkorten (ECLI:NL:RVS:2012:BW0601).
  2. Bij een verkorting moet de minister echter motiveren welke omstandigheden daartoe aanleiding hebben gegeven, zodat eiser gerichte rechtsmiddelen kan inzetten (ECLI:NL:RBOBR:2021:1809). Het nieuwe besluit zwijgt geheel over het eerdere terugkeerbesluit en bevat minder gronden. Eiser kon niet begrijpen waarom hij de nog lopende termijn tot 10 augustus 2025 niet langer mocht benutten.
  3. Schending van art. 3:46 Awb (motiveringsbeginsel) en art. 3:2 Awb (zorgvuldigheid). Het terugkeerbesluit wordt vernietigd.
  4. Het inreisverbod is gebaseerd op het vernietigde terugkeerbesluit en kan evenmin standhouden.
  5. De bewaring is grondsloos opgelegd: het terugkeerbesluit van 12 juli 2025 bood geen grondslag voor inbewaringstelling, omdat de daarin opgenomen vertrektermijn op 5 augustus 2025 nog niet was verstreken. Eiser was op dat moment nog niet uitzetbaar (ECLI:NL:RVS:2024:4661).

Conclusie en Gevolgen

  • Uitspraak: Beroepen gegrond; terugkeerbesluit en inreisverbod vernietigd; bewaring opgeheven per 14 augustus 2025 met onmiddellijke invrijheidstelling.
  • Schadevergoeding: €1.000 (10 × €100, verblijf detentiecentrum).
  • Proceskosten: €1.814 (te betalen aan rechtsbijstandverlener wegens toevoeging).
  • Rechtsmiddel: Hoger beroep bij ABRvS: binnen één week (voor zover betrekking op het bewaringsbesluit); binnen vier weken (voor zover betrekking op het terugkeerbesluit).

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder