10 weken geen inspanning tijdens straf. Gegrond

zp Roermond | 05-09-2025 | NL25.39300 (afgeleid) | BEROEP GEGROND | ECLI:NL:RBDHA:2025:16556

Feiten en procesverloop

Eiser is een Nigeriaans staatsburger, geboren in 1984. Op 12 september 2024 legde de politierechter te Amsterdam hem een gevangenisstraf op. Op 27 mei 2025 werd eiser overgenomen van de Duitse autoriteiten en aansluitend gedetineerd ter uitvoering van die gevangenisstraf; een M122-formulier werd opgemaakt. Op 18 augustus 2025 droeg de Vris-officier eiser over aan DT&V. Op 25 augustus 2025 legde de minister de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw op. Op 27 augustus 2025 vond een vertrekgesprek plaats; eiser verklaarde mee te willen werken. Op 28 augustus 2025 werd een laissez-passeraanvraag ingediend bij de Nigeriaanse autoriteiten. Hoorzittingen vonden plaats op 27 en 28 augustus 2025; nadere zitting op 2 september 2025. Uitspraak op 5 september 2025.

Standpunt eiser

Eiser stelt dat de minister gedurende de strafrechtelijke detentie (27 mei 2025 tot 25 augustus 2025) geen enkele inspanning heeft geleverd ter voorbereiding van terugkeer naar Nigeria, in strijd met de inspanningsverplichting van artikel 15, eerste lid, Richtlijn 2008/115/EG.

Overwegingen rechter

De rechtbank wijkt af van de Afdelingsjurisprudentie die inhoudt dat het strafrechtelijk voortraject buiten de ambtshalve toetsing van de bewaringsrechter valt. De rechtbank overweegt dat het fundamentele karakter van het recht op vrijheid vereist dat de bewaringsrechter alle aspecten van de rechtmatigheid ambtshalve toetst (HvJEU C.B.X., ECLI:EU:C:2022:858, en Adrar, ECLI:EU:C:2025:647, r.o. 72). Artikel 15, eerste lid, Terugkeerrichtlijn vereist “voortvarende voorbereiding van de verwijdering” — ook gedurende het strafrechtelijk voortraject.

De minister erkende ter zitting dat hij gedurende de strafrechtelijke detentie geen enkele inspanning had verricht ter voorbereiding van terugkeer. Reeds op 27 mei 2025 was duidelijk dat eiser op 25 augustus 2025 aan de vreemdelingenketen zou worden overgedragen. Eiser had bij een eerder gehoor al verklaard mee te willen werken aan zijn terugkeer; de laissez-passeraanvraag had dus eerder kunnen worden ingediend.

De rechtbank overweegt dat het gebrek in het voortraject direct leidt tot onrechtmatigheid van de bewaring van aanvang af; een belangenafweging is niet aan de orde. Verwezen wordt ook naar ECLI:NL:RVS:2023:2829 en ECLI:NL:RBDHA:2025:7570.

Conclusie en gevolgen

Beroep gegrond. Onmiddellijke opheffing en invrijheidstelling bevolen. Schadevergoeding: 11 dagen × €100 = €1.100. Proceskosten: €1.814. Hoger beroep mogelijk bij de Afdeling binnen één week.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder