zp Zwolle | 08-09-2025 | NL25.39923 | BEROEP ONGEGROND (vervolgberoep) | ECLI:NL:RBDHA:2025:16899
Feiten en procesverloop
Eiser is Algerijns staatsburger. Op 10 mei 2025 legde de minister de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, Vw op; deze maatregel duurt nog voort. Bij uitspraak van 16 juli 2025 (zaak NL25.30351) oordeelde de rechtbank de bewaring tot het sluiten van het onderzoek op 14 juli 2025 rechtmatig. De onderhavige uitspraak betreft de voortduring vanaf 14 juli 2025.
Eisers asielaanvraag werd op 2 februari 2023 kennelijk ongegrond verklaard op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder a, Vw (eiser bracht alleen irrelevante zaken aan). Sindsdien zijn geen gewijzigde omstandigheden gebleken. De minister heeft maandelijks gerappelleerd en heeft op 30 juli 2025 en 1 september 2025 vertrekgesprekken gevoerd. Op 1 augustus 2025 werden digitale vingerafdrukken verzonden naar de Algerijnse autoriteiten — nodig omdat eiser weigerde mee te werken aan een persoonlijke presentatie op 8 juli 2025. Op 15 augustus 2025 werd gerappelleerd. Zitting op 4 september 2025; uitspraak op 8 september 2025.
Standpunt eiser
Eiser betoogt (i) dat de minister onvoldoende voortvarend werkt door slechts maandelijks te rappelleren en vertrekgesprekken te voeren; en (ii) dat de uitvoering van het terugkeerbesluit het non-refoulementbeginsel schendt. Eiser verwijst naar het arrest Ararat (ECLI:EU:C:2024:892) en de conclusie van A-G Spielmann (ECLI:EU:C:2025:625).
Overwegingen rechter
Ten aanzien van de voortvarendheid: rappellen en vertrekgesprekken zijn aan te merken als handelingen van directe betekenis voor de uitzetting (ECLI:NL:RVS:2024:2181). De minister voldoet aan zijn verplichting om maandelijks uitzettingshandelingen te verrichten. Voor het inplannen van een nieuwe presentatie en de afgifte van een laissez-passer is de minister afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten. Dat eiser weigerde aan een persoonlijke presentatie mee te werken, rechtvaardigde het verzenden van digitale vingerafdrukken. Het ontbreken van een reactie geeft geen aanleiding om te oordelen dat de Algerijnse autoriteiten niet binnen een redelijke termijn tot afgifte zullen overgaan.
Ten aanzien van non-refoulement: op 4 september 2025 heeft het HvJEU in het arrest Adrar (ECLI:EU:C:2025:647) geoordeeld dat de bewaringsrechter verplicht is om, zo nodig ambtshalve, na te gaan of het non-refoulementbeginsel zich verzet tegen verwijdering. De rechtbank past dit arrest toe. De conclusie is dat geen gegevens aanknopingspunten bieden voor het vermoeden dat uitvoering van het terugkeerbesluit non-refoulement schendt: de asielaanvraag werd kennelijk ongegrond verklaard wegens uitsluitend irrelevante stellingen (art. 30b lid 1 sub a Vw); sindsdien zijn geen gewijzigde omstandigheden gebleken; en eisers verklaring dat hij niet terug wil “omdat hij daar niets heeft en nergens heen kan” biedt geen aanwijzing voor een schending van artikel 3 EVRM of artikel 4 EU Handvest.
Conclusie en gevolgen
Beroep ongegrond. Bewaring gehandhaafd. Schadevergoeding afgewezen. Geen proceskostenveroordeling. Geen verder rechtsmiddel open (einduitspraak vervolgberoep).
Noten
- Art. 59 lid 1 sub a Vw;
- art. 30b lid 1 sub a Vw;
- art. 96 lid 3 Vw;
- HvJEU Adrar ECLI:EU:C:2025:647;
- ECLI:NL:RVS:2024:2181;
- HvJEU Ararat ECLI:EU:C:2024:892 (door eiser aangevoerd);
- A-G Spielmann ECLI:EU:C:2025:625 (door eiser aangevoerd).