HB: Tegenspraak M122 en ID ophouding. M122 geen gevolg voor vaststelling identiteit

RvS AbRS | 04-09-2025 | 202404443/1/V3 (HB van Rb. Den Haag, zp Utrecht, NL24.26566) | HOGER BEROEP ONGEGROND | ECLI:NL:RVS:2025:4255

Feiten en procesverloop

Appellant was vanaf 28 april 2024 in strafrechtelijke detentie. Op 30 april 2024 werd het M122-formulier uitgereikt, met als vermelding de grondslag artikel 50, derde lid en/of artikel 50a Vw (onjuist). Op 29 mei 2024 lichte de AVIM appellant uit de strafrechtelijke detentie ter uitvoering van een identiteits- en nationaliteitsonderzoek; appellant werkte niet mee en bezat geen identificerende documenten. Op 26 juni 2024 werd appellant opgehouden op grond van artikel 50, tweede lid, Vw; aansluitend werd bewaring opgelegd op grond van artikel 59a Vw. Het proces-verbaal van 26 juni 2024 vermeldde de correcte grondslag (art. 50 lid 2 Vw). Rb. Den Haag zp Utrecht oordeelde op 11 juli 2024 het beroep ongegrond. Appellant, vertegenwoordigd door mr. R.M. Seth Paul, stelde hoger beroep in. Uitspraak Afdeling op 4 september 2025.

Standpunt appellant

Appellant stelt (eerste grief) dat de minister zijn identiteit reeds tijdens de strafrechtelijke detentie (vanaf 28 april 2024) had kunnen vaststellen en hem daarom op grond van artikel 50, derde lid, of artikel 50a Vw had moeten ophouden, niet op grond van artikel 50, tweede lid, Vw. Het M122-formulier vermeldde ook die onjuiste grondslag. Tweede grief: het hoger beroep heeft rechtseenheidsbelang.

Overwegingen Afdeling

De eerste grief faalt. Omdat appellant niet meewerkte aan het identiteits- en nationaliteitsonderzoek op 29 mei 2024 en geen identificerende documenten bezat, kon de minister zijn identiteit niet vaststellen (lijn ABRvS 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134). Ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, Vw was daarmee gerechtvaardigd. Dat het M122-formulier onjuist de grondslag artikel 50, derde lid/50a Vw vermeldde, leidt niet tot onrechtmatigheid: het proces-verbaal van 26 juni 2024 vermeldde de correcte grondslag.

De Afdeling geeft de minister wel in overweging paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 en het M122-model aan te passen om herhaling te voorkomen. De tweede grief voldoet niet aan artikel 91, tweede lid, Vw; de vraag is eerder beantwoord in ECLI:NL:RVS:2024:2979.

Conclusie en gevolgen

Hoger beroep ongegrond. Uitspraak rechtbank bevestigd. Geen proceskostenveroordeling. Geen verder rechtsmiddel.

Noten

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingenbewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder