Grensdetentie Iran: niet mogelijk vanwege moratorium terugkeer

InstantieRechtbank Den Haag (zittingsplaats Haarlem)
Datum09-03-2026
ECLIECLI:NL:RBDHA:2026:6004
ZaaknummerNL26.4456
TypeVreemdelingenrecht (art. 6 lid 3 Vw 2000)
DictumBeroep gegrond

Feiten en procesverloop

Eiser heeft de Iraanse nationaliteit. Bij besluit van 13 januari 2026 is aan hem een vrijheidsontnemende maatregel (grensdetentie) opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, Vw. Bij het aanmeldgehoor van 16 januari 2026 verklaarde eiser uit Iran te komen. Tijdens het nader gehoor van 23 januari 2026 verklaarde hij psychische klachten te hebben vanwege de gebeurtenissen in Iran en de onzekerheid over zijn ouders. Op 28 januari 2026 heeft de minister de asielaanvraag afgewezen en het voortduren van de maatregel opnieuw beoordeeld; op 5 februari 2026 heeft eiser gronden van beroep met nadere documenten ingediend. De zitting in de bewaringszaak vond plaats op 9 februari 2026. Na sluiting van het onderzoek heeft de rechtbank diezelfde dag, om 17.13 uur, in de asielzaak aan de minister meegedeeld dat die zaak wordt aangehouden wegens de veiligheidsontwikkelingen in Iran. De rechtbank heeft daarop op 11 februari 2026 het onderzoek in de bewaringszaak heropend om dit aan de minister mee te delen, maar de maatregel niet zelf opgeheven; de minister heeft dat op 12 februari 2026 gedaan.

Standpunt eiser: de minister had de maatregel al na het aanmeldgehoor, althans na het nader gehoor of na het indienen van de beroepsgronden op 5 februari 2026, moeten opheffen omdat uitzetting naar Iran onmogelijk is, en vanaf het nader gehoor had een lichter middel moeten worden toegepast wegens zijn psychische klachten.

Standpunt minister: hij voortvarend heeft gehandeld door binnen vier weken op de asielaanvraag te beslissen en de gestelde psychische klachten niet zijn onderbouwd.

Overwegingen rechtbank

  • Zicht op uitzetting niet relevant: de bewaringsrechter mag niet inhoudelijk oordelen over de asielaanvraag, en het ontbreken van zicht op uitzetting speelt geen rol bij het opleggen van een maatregel op grond van artikel 6, derde lid, Vw; de minister heeft door binnen vier weken op de asielaanvraag te beslissen voldoende voortvarend gehandeld.
  • Psychische klachten niet onderbouwd: eiser heeft zijn psychische klachten niet onderbouwd, bijvoorbeeld met een medische verklaring, en de medische zorgverlening in het Justitieel Complex Schiphol is gelijkwaardig aan die in de vrije maatschappij; een lichter middel was daarom niet vereist.
  • Maximale duur grensdetentie: grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, Vw duurt gelet op artikel 9, eerste lid, Opvangrichtlijn in ieder geval te lang na dertien weken vanaf de oplegging; op de zitting van 9 februari 2026 was nog niet duidelijk dat die termijn zou worden overschreden.
  • Maatregel diende geen doel meer: doordat de rechtbank na sluiting van het onderzoek op 9 februari 2026 aan de minister heeft meegedeeld dat de asielzaak wordt aangehouden wegens de veiligheidsontwikkelingen in Iran, diende de maatregel vanaf dat moment geen enkel doel meer; de rechtbank had de maatregel op dat moment moeten opheffen, maar heeft dit niet gedaan.
  • Onrechtmatig voortduren: de maatregel heeft daarom vanaf 9 februari 2026 tot de daadwerkelijke opheffing door de minister op 12 februari 2026 onrechtmatig voortgeduurd.

Conclusie en gevolgen

  • Uitspraak: beroep gegrond verklaard; de maatregel van bewaring was vanaf 9 februari 2026 onrechtmatig.
  • Schadevergoeding (art. 106 Vw): EUR 480 (4 dagen x EUR 120).
  • Proceskosten: EUR 1.868.
  • Rechtsmiddel: hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  1. ECLI:NL:RVS:2016:1452 — ABRvS 3 juni 2016: geen verplichting om voorafgaand aan de grensprocedure te beoordelen of het asielverzoek zich daarvoor leent; de staatssecretaris krijgt een redelijke termijn voor onderzoek.
  2. ECLI:NL:RVS:2023:3794 — ABRvS 13 oktober 2023: de bewaringsrechter toetst ambtshalve of de grensdetentie met de nodige zorgvuldigheid en voortvarendheid wordt uitgevoerd, zonder inhoudelijk oordeel over de rechtmatigheid van het asielbesluit.
  3. ECLI:NL:RVS:2025:789 — ABRvS 26 februari 2025: het Justitieel Complex Schiphol is een gespecialiseerde bewaringsaccommodatie met aanzienlijk lichtere beperkingen dan een strafrechtelijke afdeling.
  4. ECLI:NL:RVS:2025:2925 — ABRvS 1 juli 2025: grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, Vw mag gelet op artikel 9, eerste lid, Opvangrichtlijn maximaal dertien weken duren; vertraging die niet aan de vreemdeling is toe te schrijven, is geen reden de detentie voort te zetten.
  5. ECLI:NL:RVS:2025:5407 — ABRvS 11 november 2025: grensdetentie is onrechtmatig wanneer deze geen doel meer dient omdat het asielberoep buiten de te verwachten detentieduur wordt behandeld.

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder