| Instantie | Rechtbank Den Haag (zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch) |
|---|---|
| Datum | 11-03-2026 |
| ECLI | ECLI:NL:RBDHA:2026:9546 |
| Zaaknummer | NL26.11104 |
| Type | Vreemdelingenrecht, artikel 59b lid 1 onder a en b Vw 2000 |
| Dictum | Beroep ongegrond |
Feiten en procesverloop
Bij besluit van 24 februari 2026 heeft de minister aan eiser, van Nigeriaanse nationaliteit, de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, Vw 2000. Eiser had op 9 december 2024 asiel aangevraagd; de beschikking daarop volgde op 10 september 2025. Zijn gemachtigde gaf op 16 september 2025 aan geen contact meer met eiser te hebben en zond de beschikking per retourpost terug, met het verzoek deze op andere wijze aan eiser uit te reiken. Eiser is op 24 februari 2026 staandegehouden.
Standpunt eiser: hij had op 24 februari 2026 nog rechtmatig verblijf, omdat de beschikking van 10 september 2025 niet rechtsgeldig is bekendgemaakt door verzending aan een gemachtigde die geen contact meer met hem had; staandehouding en ophouding waren daarom onrechtmatig. Ook is hij in zijn verdedigingsbelang geschaad omdat hij zonder beëdigde tolk is gehoord.
Standpunt minister: De minister stelt dat de beschikking van 10 september 2025 rechtsgeldig aan eisers gemachtigde is bekendgemaakt, dat eiser daardoor op 24 februari 2026 geen rechtmatig verblijf meer had, en dat horen in het Engels zonder beëdigde tolk toelaatbaar was omdat eiser en de verbalisant die taal voldoende beheersten.
Overwegingen rechtbank
- Kernoverweging: de beschikking is op de juiste wijze bekendgemaakt door verzending aan de gemachtigde. Die was bij de minister bekend en had tot aan de beschikking namens eiser gehandeld, en nergens is gebleken dat hij eiser niet langer vertegenwoordigde. Dat de gemachtigde eiser daarna niet meer kon bereiken, maakt de bekendmaking niet onjuist: het is aan eiser om contact met zijn gemachtigde te onderhouden en na te gaan of op zijn aanvraag is beslist. Eiser had dus geen rechtmatig verblijf meer en kon op 24 februari 2026 worden staandegehouden en vervolgens opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, Vw 2000.
- Horen zonder beëdigde tolk is niet zonder meer onrechtmatig (ECLI:NL:RVS:2022:2963): geen tolk is nodig als verbalisant en vreemdeling een taal spreken die zij beiden voldoende beheersen. De verbalisant heeft zich hiervan vergewist en eiser bevestigde hem te verstaan; uit het verslag blijkt niet dat zij elkaar niet hebben begrepen.
- De zware grond 3c en de niet-betwiste zware en lichte gronden zijn, in samenhang bezien en gelet op de motivering in de maatregel, voldoende om de maatregel te dragen; ook bestaat voldoende grond voor het risico op onderduiken.
- Een lichter middel was niet doeltreffend: de gronden wijzen op onttrekkingsrisico, eiser was eerder met onbekende bestemming vertrokken, en de door hem in het gehoor genoemde omstandigheden zijn kenbaar gewogen.
- Ambtshalve toetsend (ECLI:EU:C:2022:858) ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel onrechtmatig is opgelegd of op enig moment voorafgaand aan het sluiten van het onderzoek onrechtmatig is geworden.
Conclusie en gevolgen
- Het beroep is ongegrond.
- Het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.
- Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
- Hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week.
Noten
- ECLI:NL:RBDHA:2023:6969 (Rb. Den Haag zp Roermond, 15 mei 2023): de uitspraak waarop eiser zich beroept over horen zonder beëdigde tolk.
- ECLI:NL:RVS:2022:2963 (ABRvS, 17 oktober 2022): geen tolk vereist als beiden de gebruikte taal voldoende beheersen.
- ECLI:NL:RVS:2024:94: aangehaald bij de vraag of eiser en de verbalisant elkaar hebben begrepen.
- ECLI:EU:C:2022:858 (C, B en X, HvJEU 8 november 2022): ambtshalve toetsing van de rechtmatigheidsvoorwaarden.
