‘Stond klaar om te vertrekken’: rechter gelooft het niet

InstantieRechtbank Den Haag (zittingsplaats Rotterdam)
Datum25-03-2026
ECLIECLI:NL:RBDHA:2026:8362
ZaaknummerNL26.13384
TypeArtikel 59a lid 1 Vw 2000
DictumBeroep ongegrond

Feiten en procesverloop

Bij besluit van 10 maart 2026 is aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59a, eerste lid, Vw 2000, met het oog op een Dublinoverdracht aan Frankrijk. Een eerste overdrachtspoging op 3 maart 2026 was al mislukt: om 8:15 uur is vastgesteld dat eiser niet op de afgesproken ophaaltijd is verschenen en niet op zijn kamer in het AZC is aangetroffen, wat is vastgelegd in een Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten-melding (TBBA-melding).

Standpunt eiser: eiser stelt dat hij wél op tijd op de ophaallocatie was en zich niet aan het toezicht heeft onttrokken, onder verwijzing naar het arrest Jawo van het Hof van Justitie over het begrip “onttrekking”. Ook stelt hij dat de minister onvoldoende voortvarend heeft gehandeld gelet op het claimakkoord van Frankrijk van 29 september 2025, en dat vanwege zijn psychische problemen met een lichter middel dan bewaring had moeten worden volstaan.

Standpunt minister: de minister stelt dat de zware gronden 3a en 3k feitelijk juist zijn, dat voortvarend is gehandeld en dat gelet op het vastgestelde onttrekkingsrisico geen lichter middel dan bewaring volstond.

Overwegingen rechtbank

  • Zware grond 3a is feitelijk juist: eiser heeft zelf verklaard zonder visum, en dus niet op de voorgeschreven wijze, Nederland te zijn ingereisd.
  • Voor zware grond 3k is vastgesteld dat op 3 maart 2026 om 8:15 uur is geconstateerd dat eiser niet op de afgesproken ophaaltijd voor de overdracht is verschenen en niet op zijn kamer in het AZC is aangetroffen, wat is vastgelegd in een Tijdelijk Buiten Bereik Autoriteiten-melding; eisers enkele, niet onderbouwde stelling dat hij wél op tijd op de ophaallocatie was, staat haaks op die informatie en wordt niet gevolgd (kernoverweging).
  • De zware gronden 3a en 3k dragen, in onderling verband bezien, de maatregel al zelfstandig omdat daaruit een significant onttrekkingsrisico volgt; de overige gronden behoeven geen bespreking.
  • Bij de beoordeling van de voortvarendheid komt geen zelfstandige betekenis toe aan het handelen van de minister vóór de inbewaringstelling, zodat het tijdsverloop tussen het claimakkoord van 29 september 2025 en de inbewaringstelling niet meetelt; met de vluchtaanvraag op de dag van inbewaringstelling en het vertrekgesprek van 13 maart 2026 heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld.
  • Voor een lichter middel is een grondig onderzoek naar de feitelijke omstandigheden en een specifieke motivering vereist; gelet op het vastgestelde onttrekkingsrisico kon de minister terecht en deugdelijk gemotiveerd afzien van een lichter middel. De door eiser gestelde medische zorg wordt in het detentiecentrum voldoende geacht, vergelijkbaar met de zorg in de vrije maatschappij.
  • Ambtshalve toetsend ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

  • Beroep ongegrond.
  • Verzoek om schadevergoeding afgewezen.
  • Geen proceskostenveroordeling.
  • Hoger beroep mogelijk bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na bekendmaking.

Noten

  1. Voor de meeste zware gronden, waaronder 3a en 3k, is voldoende dat de feitelijke juistheid daarvan wordt toegelicht (ECLI:NL:RVS:2020:829).
  2. Bij de voortvarendheidstoets komt geen zelfstandige betekenis toe aan het handelen van de minister vóór de inbewaringstelling (ECLI:NL:RVS:2021:352).
  3. Een lichter middel vereist een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen en een specifieke motivering (ECLI:NL:RVS:2015:674 en ECLI:NL:RVS:2015:1309).
  4. Het Hof van Justitie stelde in het arrest Mahdi eisen aan de toetsing van lichtere middelen bij verlenging van bewaring (ECLI:EU:C:2014:1320, C-146/14 PPU).
  5. De bewaringsrechter is gehouden ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de bewaring te toetsen (ECLI:EU:C:2022:858, C, B en X).
  6. Eiser beroept zich op het arrest Jawo (C-163/17) over het begrip “onttrekking” in de Dublinverordening; de rechtbank bespreekt dit arrest niet inhoudelijk (ECLI:EU:C:2019:218).

Ontdek meer van Jurisprudentie vreemdelingen bewaring

Abonneer je nu om meer te lezen en toegang te krijgen tot het volledige archief.

Lees verder